De Hoge Raad heeft recent een cassatieberoep verworpen in een zaak over de zogenoemde ‘cumulatiegrond’ (de i-grond van art. 7:669 lid 3 BW). Daarmee blijft het oordeel van het gerechtshof in stand dat ontbinding op de i-grond mogelijk is zonder dat ten minste één van de onderliggende ontslaggronden bijna voldragen is en zonder dat voor de werkgever een verzwaarde stelplicht geldt. De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 Wet RO. Dat betekent dat het cassatieberoep niet slaagde en dat de Hoge Raad geen aanleiding zag zijn oordeel nader te motiveren.
Wat speelde er in deze zaak?
In deze procedure verzocht de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer wegens disfunctioneren (de d-grond) en een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). De kantonrechter wees het verzoek af omdat geen van beide ontslaggronden voldoende was onderbouwd. De werkgever stelde hoger beroep in en deed daarbij tevens een beroep op de i-grond.
In hoger beroep kwam het gerechtshof tot dezelfde conclusie voor wat betreft de afzonderlijke ontslaggronden. Het hof oordeelde echter dat de combinatie van de aangevoerde omstandigheden wél maakte dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daarbij achtte het hof van belang dat sprake was van disfunctioneren, een vertrouwensbreuk met de leidinggevende en een moeizame samenwerking met collega's.
Daarnaast achtte het hof verbetering van het functioneren niet aannemelijk, mede gelet op het weinig succesvol verlopen verbetertraject en het gebrek aan zelfreflectie van de werknemer. De arbeidsovereenkomst werd daarom ontbonden op de i-grond, onder toekenning van een transitievergoeding en een aanvullende cumulatievergoeding van 50% van de transitievergoeding.
De werknemer stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Daarbij voerde hij onder meer aan dat voor een geslaagd beroep op de i-grond ten minste één andere ontslaggrond bijna voldragen moet zijn. Daarnaast stelde hij dat voor een beroep op de i-grond een verzwaarde stelplicht geldt en dat de werkgever daarom uitdrukkelijk moet toelichten waarom de verschillende omstandigheden gezamenlijk tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zouden moeten leiden.
De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad (A-G), die de Hoge Raad voorafgaand aan een uitspraak van een onafhankelijk juridisch advies voorziet, concludeerde dat deze klachten niet slagen. Volgens de A-G volgt uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis dat voor toepassing van de i-grond vereist is dat ten minste één van de onderliggende ontslaggronden bijna voldragen is. Ook zag de A-G geen aanleiding om voor de i-grond een strengere stelplicht aan te nemen dan voor de overige ontslaggronden.
Volgens de A-G volstaat het dat de werkgever de feiten en omstandigheden aanvoert waarop het ontbindingsverzoek is gebaseerd. Vervolgens is het aan de rechter om te beoordelen of die omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daarbij mogen omstandigheden die zijn aangevoerd in het kader van verschillende ontslaggronden gezamenlijk worden beoordeeld.
Met de verwerping van het cassatieberoep door de Hoge Raad blijft het oordeel van het hof in stand. Voor een beroep op de i-grond hoeft de werkgever dus niet aan te tonen dat ten minste één van de onderliggende ontslaggronden bijna voldragen is. Ook geldt geen verzwaarde stelplicht.
Dat betekent overigens niet dat een beroep op de i-grond eenvoudig zal slagen. De rechter zal nog steeds zorgvuldig moeten beoordelen of de combinatie van omstandigheden daadwerkelijk zodanig zwaarwegend is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet van de werkgever kan worden gevergd. Een zorgvuldig opgebouwd dossier blijft daarom essentieel.
Heb je een vraag? Stel die dan gerust. Wij nemen zo snel mogelijk contact met je op.