De Hoge Raad heeft onlangs verduidelijkt hoe de ‘samentellingsregeling’ voor de transitievergoeding moet worden toegepast wanneer een werknemer nadat hij zijn dienstverband eerst zelf heeft opgezegd binnen zes maanden terugkeert bij dezelfde werkgever. Artikel 7:673 lid 4 BW bepaalt dat arbeidsovereenkomsten die elkaar binnen een periode van zes maanden opvolgen voor de berekening van de transitievergoeding in principe worden samengeteld, maar volgens de Hoge Raad geldt dit niet wanneer het eerdere dienstverband door de werknemer zelf is beëindigd.
In deze zaak had de werknemer in 2017 zelf ontslag genomen en trad hij binnen zes maanden opnieuw in dienst. Toen het tweede dienstverband in 2023 door de werkgever werd beëindigd, stelde de werknemer dat beide periodes (dus ook de duur van zijn eerste dienstverband dat hij zelf had opgezegd) moesten worden samengeteld voor de berekening van de transitievergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet aansluit bij het doel van de transitievergoeding. Deze vergoeding is uitsluitend bedoeld als compensatie voor ontslag wanneer het initiatief tot beëindiging bij de werkgever ligt (of als sprake is (geweest) van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever), en om de werknemer te ondersteunen bij de overstap naar ander werk.
Eerdere dienstjaren worden dus niet meegerekend wanneer het voorafgaande dienstverband op initiatief van de werknemer eindigde, ook niet bij een onderbreking van minder dan zes maanden. In deze zaak had de werknemer dus alleen recht op een transitievergoeding over de duur van het tweede dienstverband.