Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat het mogelijk is om bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding na het eindigen van een arbeidsovereenkomst, de mogelijke WW-uitkering die de werknemer zal ontvangen in mindering te brengen op de billijke vergoeding.
Wat was er in deze zaak aan de hand? Een werkneemster trad in 2018 in dienst bij haar werkgever als klinisch chemicus. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst vanwege de tussen partijen bestaande verstoorde arbeidsverhouding. Aangezien de ontbinding volgens de kantonrechter het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever (vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen tijdens ziekte, het tijdens ziekte aansturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gang van zaken nadat de werkneemster in 2024 zo goed als hersteld was), heeft de rechter de werkneemster onder meer een billijke vergoeding toegekend ter hoogte van drie bruto jaarsalarissen. Het ging hier om een aanzienlijk bedrag, namelijk € 443.916,- bruto. De werkgever was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep. In hoger beroep achtte het gerechtshof het redelijk om op het gederfde loon tijdens de periode waarin het hof schatte dat de arbeidsovereenkomst anders nog zou hebben voortgeduurd, de WW-uitkering die de werkneemster dan had kunnen ontvangen in mindering te brengen.
In cassatie bracht de werkneemster naar voren dat een WW-uitkering slechts in uitzonderlijke gevallen in mindering mag worden gebracht op de billijke vergoeding. De Hoge Raad achtte die klacht ongegrond en oordeelde – kijkend naar de gezichtspunten uit zijn eerdere rechtspraak – dat als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, de rechter niet alleen rekening hoeft te houden met de nadelen (zoals het verlies van loon), maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee samenhangen. In welke mate de vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering.
Hoewel deze uitspraak perspectief biedt voor een werkgever om bij de begroting van een billijke vergoeding te bepleiten dat de WW-uitkering hierop in mindering moet worden gebracht, vormt deze uitspraak geen vrijbrief dat dit daadwerkelijk altijd zal gebeuren. Werknemers kunnen na, of op basis van, deze uitspraak ook nog steeds bepleiten dat bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, en dat die specifieke omstandigheden maken dat in zijn concrete geval de WW-uitkering niet in mindering dient te worden gebracht op de verzochte billijke vergoeding.