De Hoge Raad heeft onlangs verduidelijkt hoe het rechtsvermoeden arbeidsomvang uit artikel 7:610b BW moet worden toegepast wanneer een werknemer achterstallig loon vordert. Volgens de Hoge Raad hoeft bij het vaststellen van de arbeidsomvang niet altijd te worden uitgegaan van de drie maanden direct voorafgaand aan de periode waarover loon wordt gevorderd. Ook een andere, meer representatieve periode uit het dienstverband kan als uitgangspunt dienen.
In deze zaak was de werknemer sinds 1 juli 2021 in dienst bij zijn werkgever, een restaurant. Eind oktober 2022 kwamen partijen overeen dat de werknemer per 1 november 2022 zou gaan werken voor een andere vennootschap van een van de vennoten. Nadat het dienstverband op 6 april 2023 was geëindigd, verzocht de werknemer om betaling van achterstallig loon. Volgens hem had hij structureel meer uren gewerkt dan uit de loonstroken bleek.
De kantonrechter wees de loonvordering grotendeels toe. Het gerechtshof Amsterdam kwam echter tot een ander oordeel en kende alleen achterstallig loon toe voor een beperkte periode. Voor andere maanden wees het hof de vordering af, omdat de werknemer voor die periodes geen voldoende gespecificeerde urenopgaven had overgelegd.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. De werknemer had zich in de procedure namelijk beroepen op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Deze bepaling houdt in dat wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de arbeidsomvang gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid in de drie voorafgaande maanden. De Hoge Raad verduidelijkt dat deze referteperiode niet altijd direct vooraf hoeft te gaan aan de periode waarop de loonvordering ziet. Wanneer die periode geen representatief beeld geeft van de structurele inzet van de werknemer, kan ook een andere – meer representatieve – periode uit het dienstverband als uitgangspunt worden genomen.
Omdat het hof het beroep op dit rechtsvermoeden onvoldoende bij zijn beoordeling had betrokken, vernietigt de Hoge Raad de uitspraak en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.
Deze uitspraak benadrukt dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW een belangrijk instrument kan zijn wanneer discussie ontstaat over de omvang van de arbeid. Wanneer een werknemer een representatieve periode kan aanwijzen waaruit een structurele arbeidsomvang blijkt, verschuift het bewijsrisico naar de werkgever. Zorg als werkgever daarom voor een zorgvuldige urenregistratie, zeker bij oproepkrachten en werknemers met een wisselende arbeidsomvang.