Trends in het arbeidsrecht
De eerste voorjaarsnota van dit kabinet verschijnt in een tijd waarin het internationaal onrustig is. Hoewel de koopkracht in de meest recente ramingen op peil blijft, ligt de inflatie al langere tijd hoger dan het gemiddelde in de eurozone. Om tekorten niet verder op te laten lopen, moeten keuzes worden gemaakt. Het kabinet kiest ervoor om in te grijpen in de sociale zekerheid via onder andere de WW.
In dit artikel wordt er gekeken naar de gevolgen van de voorjaarsnota voor het arbeidsrecht. Daarnaast gaan we nog een keer nader in op de Wet verbetering zekerheid flexibele arbeidskrachten, aangezien de Raad van State zijn advies over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht.
Duurverkorting WW
Uit de voorjaarsnota blijkt dat de regering een besparing wil realiseren door een duurverkorting van de WW van vierentwintig naar achttien maanden per 1 januari 2027. Daarnaast leidt de inkorting van de maximale WW-uitkeringsduur tot een inkorting van de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde WGA-uitkering.
Verhoging minimumjeugdloon
Het minimumjeugdloon voor zestien- tot twintigjarigen wordt per 1 januari 2027 met gemiddeld 20% verhoogd.
Geen tegemoetkoming arbeidsongeschikte zzp’ers
De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikte zzp’ers die een inkomensgat hebben tussen het einde van hun private arbeidsongeschiktheidsverzekering op 65-jarige leeftijd en de AOW-leeftijd, wordt niet doorgezet.
Wet verbetering zekerheid flexibele arbeidskrachten
Waar de tegemoetkoming voor zzp’ers er niet komt, probeert de regering wel de arbeidszekerheid voor flexwerkers te verstevigen in het wetsvoorstel ‘Wet verbetering zekerheid flexibele arbeidskrachten’. Het wetsvoorstel omvat verschillende maatregelen om flexibele arbeidskrachten meer zekerheid te bieden over hun inkomen en werkrooster. Daarnaast moet het wetsvoorstel oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengaan. Het uitgangspunt is dat bij structureel werk een vast contract hoort. Volgens de uitleg bij het wetsvoorstel is er sprake van een doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt. Meer dan 40% van alle werkenden is een flexwerker of een zelfstandige zonder personeel. Eerdere wetgeving heeft de trend van een doorgeschoten flexibilisering niet kunnen keren. De Raad van State merkt op dat de nu voorgestelde probleemaanpak (opnieuw) tekortschiet. Van een fundamentele hervorming op het terrein van de arbeidsmarkt is namelijk geen sprake.
De afdeling advisering van de Raad van State (hierna: ‘de afdeling’) wijst daarom samengevat op het volgende:
- Opnieuw worden alleen maatregelen voorgesteld die zien op flexibele arbeidscontracten. Naast het vaste contract blijven ook de loondoorbetalingsperiode bij ziekte en de ontslagbescherming (een periode van twee jaar) ongemoeid; en
- Daarnaast lijdt het wetsvoorstel niet tot een sterk verbeterde balans tussen vaste en flexibele contracten.
De afdeling komt samengevat met de volgende verbeteringen:
- De afdeling stelt voor om de huidige ‘onderbrekingstermijn’ van zes maanden te vervangen door een administratieve vervaltermijn met een looptijd van vijf jaar. Dit om te voorkomen dat er na een periode van zes maanden opnieuw drie tijdelijke arbeidscontracten binnen een periode van drie jaar worden gestart (draaideurconstructie).
- In het wetsvoorstel wordt het oproepcontract afgeschaft. Dit betekent dat de huidige nulurencontracten en min-maxcontracten niet langer afgesloten mogen worden. In plaats hiervan komt het zogenoemde bandbreedtecontract. De voorgestelde bandbreedte is 30%. Dit betekent dat het basiscontract, met ten minste een kwartaalurennorm, per kwartaal maximaal 30% mag afwijken van de overeengekomen urennorm. De Afdeling adviseert de bandbreedte nader te motiveren, mede in het licht van de toegevoegde waarde die een bandbreedtecontract biedt en de benodigde flexibiliteit op de arbeidsmarkt.
- De afdeling voorziet een probleem in de handhaving van bandbreedtecontracten. Zij is bang dat werkgevers bandbreedtecontracten gaan overeenkomen, maar zich in de praktijk niet willen houden aan de afgesproken wettelijke werkuren binnen het contract. De afdeling adviseert daarom om in de toelichting op de wet in te gaan op de mogelijkheden om effectiviteit te bevorderen en/of het wetsvoorstel zo nodig aan te passen op dit punt.
- Het wetsvoorstel voorziet in een aantal uitzonderingen op de voorgestelde maatregelen, waaronder voor minderjarigen, scholieren en studenten met een bijbaan. De afdeling adviseert in de toelichting op de wet nader in te gaan op de daadwerkelijke gevolgen en de volledigheid van de uitzonderingen voor minderjarigen, scholieren en studenten met een bijbaan.
De afdeling adviseert aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om met de bovenstaande opmerkingen rekening te houden voordat het wetsvoorstel medio 2025 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Te verwachten valt dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van het advies het nodige gaat aanpassen in het wetsvoorstel. Het beoogde tijdstip waarop de wijzigingen in werking treden is nog niet bekend. Naar alle waarschijnlijkheid zal de inwerkingtreding 1 januari 2026 worden.
Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of bent u op zoek naar een arbeidsrecht advocaat? Neem dan gerust contact met ons op.