Contact opnemen
Arbeidsrecht 09 december 2025

Opbouw vakantiedagen na 104 weken arbeidsongeschiktheid: een update

Leestijd: 3 minuten | Auteur: Charlotte Geels

In onze vorige nieuwsbrief informeerden wij je over een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin de kantonrechter oordeelde dat werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn ook na afloop van de 104 weken loondoorbetalingstermijn nog steeds volledige vakantierechten opbouwen. Daarbij merkten wij op dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de juistheid van dit oordeel van de kantonrechter.

Inmiddels heeft een Tweede Kamerlid – die kennelijk ook niet overtuigd was van de juistheid van het oordeel – vragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte, welke vragen de minister heeft beantwoord (zie Kamerstuk 2025Z16517). Ook heeft een andere rechter haar kritische bevindingen rondom deze uitspraak gedeeld (C.J. Frikkee, ‘Slapend dienstverband: alle dagen vakantie!’, TRA 2025/96). Uit de reactie van de minister en de bevindingen van deze rechter blijkt kort samengevat het volgende.

  • In de bepaling in het Handvest Grondrechten EU waarmee de kantonrechter de Nederlandse wettelijke bepaling – waarin staat dat een werknemer alleen vakantiedagen opbouwt over de periode waarin hij recht heeft op loon – strijdig acht, staat dat iedere werknemer jaarlijks recht heeft op vakantie met behoud van loon. Bij een slapend dienstverband is er echter geen recht op loon, omdat de wettelijke loondoorbetalingsverplichting bij ziekte is geëindigd. De vraag is dan hoe sprake kan zijn van ‘’behoud van loon’’ als een werknemer geen recht meer heeft op loon tijdens een slapend dienstverband.

  • Het uitgangspunt dat een werknemer met een slapend dienstverband nog betaalde vakantiedagen opbouwt staat ook haaks op de gedachte achter de Europese regelgeving en rechtspraak over vakantiedagen, te weten dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen als tijdens de werkzaamheden, om te voorkomen dat financiële motieven werknemers ervan weerhouden om daadwerkelijk verlof te genieten. Na 104 weken heeft een arbeidsongeschikte werknemer recht op een socialezekerheidsuitkering. De Nederlandse wetgeving beschikt dus over een andere voorziening die ook voorziet in betaalde vakantie (namelijk met behoud van uitkering) voor een werknemer met een slapend dienstverband. De opbouw van vakantiedagen tegen loonwaarde tijdens een slapend dienstverband valt hier niet goed mee te rijmen.

  • De hiervoor genoemde punten staan nog los van de vraag waarom een werknemer met een slapend dienstverband überhaupt nog vakantiedagen zou moeten opbouwen, om vervolgens betaald verlof te kunnen genieten. De gedachte achter het recht op vakantie met behoud van loon is namelijk dat werknemers in staat gesteld moeten worden om uit te rusten, te herstellen van het werk en weer op krachten te komen. Deze zogenoemde recuperatiefunctie is bij een slapend dienstverband niet aan de orde. De werknemer werkt niet, heeft geen re-integratieverplichtingen meer en heeft dus ook geen werk of re-integratieactiviteiten om van te herstellen. 

Het zal niet verbazen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (mede) op basis hiervan heeft geconcludeerd dat de Nederlandse wetgeving over de opbouw van vakantiedagen niet in strijd is met Europees recht. Het is daarom nog maar sterk de vraag of meer rechters de lijn van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland gaan volgen en of het gerechtshof in de hoger beroepsprocedure niet anders zal oordelen.

Delen via

Kennis

Alle kennis
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.