Contact opnemen
Ondernemingsrecht 12 augustus 2026

Direct en indirect bestuurder van Financiële Participaties Amsterdam N.V./Bank Degroof Petercam N.V.

Leestijd: 4 minuten

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel over bestuurdersaansprakelijkheid onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof had geoordeeld dat de indirect bestuurder persoonlijk aansprakelijk was omdat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van een belangrijke schuldeiser en deze onvoldoende heeft geïnformeerd tijdens de afwikkeling van de vennootschap.

De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende vennootschappen en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst hij de zaak naar het hof Den Haag.

Partijen

Deze zaak betreft een geschil tussen Energieweg 1 en 2 Holding B.V. (‘Energieweg’) en haar bestuurder [eiser 2] enerzijds en Bank Degroof Petercam N.V. (‘Bank Degroof’) anderzijds. Energieweg was bestuurder van Financiële Participaties Amsterdam N.V. (‘FPA’). Bank Degroof had in 2007 aan FPA een krediet verstrekt. Nadat FPA haar betalingsverplichtingen niet meer nakwam, bleef de lening onbetaald. Bank Degroof stelde vervolgens niet alleen FPA, maar ook de indirect bestuurder [eiser 2] persoonlijk aansprakelijk voor de geleden schade.

Feiten en omstandigheden

FPA verkeerde al geruime tijd in financiële moeilijkheden. In 2013 liet de vennootschap aan Bank Degroof weten dat zij insolvabel was en niet in staat was de lening terug te betalen. In 2015 besloten de aandeelhouders daarom de onderneming af te wikkelen en uiteindelijk te liquideren of slapend voort te laten bestaan.

Binnen de concernstructuur van FPA speelde ook de indirecte dochtervennootschap Weaver B.V. (‘Weaver’) een belangrijke rol. Weaver was verwikkeld geraakt in een procedure met Alstonville Properties B.V. (‘Alstonville’), waarna zowel Weaver als [eiser 2] aansprakelijk werden gehouden voor schade die Alstonville had geleden. Vervolgens stelde Weaver haar voormalige advocatenkantoor aansprakelijk wegens onjuist juridisch advies. Deze procedure eindigde uiteindelijk in een schikking.

De opbrengst van deze schikking werd grotendeels gebruikt om de schuld van Weaver aan Alstonville te voldoen en om haar procesfinancier terug te betalen. Voor Bank Degroof bleef daardoor geen opbrengst beschikbaar, terwijl haar vordering op FPA onbetaald bleef.

Bank Degroof stelde dat [eiser 2] als indirect bestuurder onrechtmatig had gehandeld doordat hij haar niet tijdig had geïnformeerd over de procedures en de mogelijke opbrengsten daarvan. Bovendien zou hij uitsluitend hebben gehandeld in zijn eigen belang en onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van Bank Degroof als belangrijke schuldeiser.

De rechtbank wees deze vorderingen af. Het hof kwam echter tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de bestuurder persoonlijk aansprakelijk.

Cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit meedere onderdelen. Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat [eiser 2] Bank Degroof had moeten informeren over de procedure van Weaver tegen het advocatenkantoor en de daaropvolgende schikking.

Daarnaast wordt geklaagd dat het hof onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen FPA en indirecte dochtervennootschap Weaver door beide vennootschappen als één ‘FPA-structuur’ te behandelen. Verder wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de beperkte betaalautonomie van [eiser 2] na het besluit tot afwikkeling van FPA, aan de kwijtschelding van de aan FPA verstrekte leningen en aan de wijze waarop de opbrengst van de schikking met het advocatenkantoor is besteed.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt bij de beoordeling van het cassatiemiddel voorop dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder een hoge drempel geldt. Alleen wanneer de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, kan hij naast de vennootschap aansprakelijk zijn.

Volgens het hof had [eiser 2] onvoldoende openheid van zaken gegeven aan Bank Degroof en had hij de bank moeten informeren over de procedure van Weaver tegen het advocatenkantoor en de uiteindelijke schikking. Ook meende het hof dat [eiser 2] ervoor had gezorgd dat de bank haar vordering uiteindelijk niet meer kon verhalen.

De Hoge Raad acht deze motivering echter onvoldoende. Een belangrijk uitgangspunt is dat Bank Degroof uitsluitend schuldeiser was van FPA en niet van indirecte dochtervennootschap Weaver. Het hof heeft niet vastgesteld dat Weaver verplicht was de opbrengst van haar schikking beschikbaar te stellen aan FPA of aan Bank Degroof. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat Weaver haar eigen schuldeisers meer heeft betaald dan waarop zij recht hadden.

Daarom is volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd waarom [eiser 2] verplicht zou zijn geweest Bank Degroof te informeren over procedures die zich op het niveau van Weaver afspeelden. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom [eiser 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet informeren van Bank Degroof.

Daarnaast heeft het hof volgens de Hoge Raad onvoldoende onderscheid gemaakt tussen FPA en Weaver. Het hof sprak meerdere malen over de ‘FPA-structuur’ alsof beide vennootschappen als één geheel moesten worden beschouwd. Dat is volgens de Hoge Raad onjuist of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.

Ook de overweging van het hof dat [eiser 2] een beperkte betaalautonomie had nadat FPA tot afwikkeling had besloten, vindt de Hoge Raad onbegrijpelijk. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat FPA na dat besluit nog betalingen heeft verricht waardoor Bank Degroof werd benadeeld.

Verder acht de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd dat de opbrengst van de schikking in de procedure met het advocatenkantoor zou zijn gebruikt om uitsluitend de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser 2] af te wenden. De opbrengst werd immers gebruikt om schulden van Weaver te voldoen, waardoor ook de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser 2] verviel. Dat maakt nog niet zonder meer dat sprake is van persoonlijk verwijtbaar handelen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en daarmee onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst hij de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

A. Schulz, juli 2026

Details

ECLI: ECLI:NL:HR:2026:912
Gerechtelijke instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 12 juni 2026

Delen via
Contact

Heb je een vraag? Stel die dan gerust. Wij nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Contact opnemen

Kennis

Alle kennis
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.