Meer informatie
Jérôme de Jong van Lier is sinds 2013 cassatieadvocaat. Hij kan je bijstaan in een civiele procedure bij de Hoge Raad.
Naast zijn civiele cassatiepraktijk houdt Jérôme zich bezig met advieswerk en civiele procedures bij rechtbanken en gerechtshoven.
Jérôme weet hoe de hazen lopen. Hij kent de fijne kneepjes van het advocatenvak en is een zeer ervaren advocaat. Hij is origineel, heeft een groot rechtvaardigheidsgevoel en streeft altijd naar de beste oplossing van jouw zaak. Hij communiceert helder en kan iets moeilijks eenvoudig uitleggen. Zijn ervaring als docent in Tilburg helpt daarbij.
Naast zijn advocatenwerkzaamheden heeft Jérôme zakelijke ervaring in Brazilië. Hij spreekt vloeiend Portugees.
Als je behoefte hebt aan cassatieadvies, kun je contact met Jérôme opnemen. Tegen een vergoeding maakt hij een quickscan van jouw zaak en geeft hij een onderbouwde inschatting van de kansen en risico’s van een cassatieberoep. Bel gerust om eens te overleggen!
Overzicht van recente zaken bij de Hoge Raad.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773. In deze zaak ging het om een inzagevordering op grond van artikel 843a Rv (oud) (vgl. nu artikel 194 – 195a Rv). De cliënt wilde inzage in stukken die betrekking hadden op de administratie van zijn vennootschap onder firma. Het hof had de vordering afgewezen, maar Jérôme voerde in cassatie met succes aan dat het hof een te streng criterium had gehanteerd. De zaak moest door een ander hof opnieuw worden beslist.
HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681. In deze zaak ging het om bestuurdersaansprakelijkheid. Jérôme voerde in cassatie namens de bestuurder aan dat de klachtplicht ook bij bestuurdersaansprakelijkheid van toepassing is. Daarover werd namelijk verschillend gedacht in de literatuur. De Hoge Raad hakte in deze zaak de knoop door: de klachtplicht is niet van toepassing bij bestuurdersaansprakelijkheid. Het cassatieberoep slaagde daarom niet.
HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1067. In deze zaak ging het om het faillissementsprocesrecht. Er liep een procedure tussen twee echtgenoten enerzijds en een derde anderzijds. Toen de procedure bij het hof aanhangig was ging een van de echtgenoten failliet. De procedure werd na de verificatievergadering voortgezet met een schuldeiser in de plaats van de echtgenoten. Jérôme voerde in cassatie met succes aan dat het hof niet heeft kunnen oordelen ten opzichte van de niet-failliete echtgenote. Hij voerde verder aan dat de positie van de gefailleerde echtgenoot in strijd was met het recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 EP EVRM). Daarover oordeelde de Hoge Raad gemotiveerd anders. De uitspraak zorgde tot slot voor meer duidelijkheid over de door de echtgenoten ingestelde vorderingen tegen de derde. Daarover had het hof niet beslist, zo bleek uit de uitspraak van de Hoge Raad.
HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1870. In deze zaak ging het om de koop van een zeilcharterschip van honderd jaar oud. Het schip was gebrekkig, want er stroomde water binnen bij het zeilen. Het hof oordeelde dat de koper het schip voor de koop beter had moeten onderzoeken. Tegen dat oordeel kwam Jérôme namens de teleurgestelde koper met succes op. De verkoper die bekend is met een gebrek, mag dat niet verzwijgen voor de koper. In juridisch jargon: een mededelingsplicht gaat boven een onderzoeksplicht. Een ander hof moest de zaak opnieuw beoordelen.
HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1738. In deze zaak ging het om de rechterlijke onpartijdigheid. Jérôme voerde namens zijn cliënt met succes aan dat er vanwege de omstandigheden van het geval een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond. Die omstandigheden waren dat een van de raadsheren die het arrest heeft gewezen als lid van de pachtkamer in meerdere pachtzaken arresten heeft gewezen samen met de partijdeskundige van de wederpartij en het hof onder andere had geoordeeld dat met de door de wederpartij gevorderde kosten van de partijdeskundige ruimhartig moet worden omgegaan.
HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:380. In deze zaak ging het om de avondklok tijdens de coronaperiode. Jérôme voerde voor zijn cliënt in cassatie aan dat de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) waarop de regering zich beriep, geen grondslag bood om ten behoeve van het tegengaan van de verspreiding van een virus een avondklok in te stellen. Het argument was dat de wet slechts een grondslag bood op een avondklok in te stellen in verband met bedreigingen voor de openbare orde en veiligheid. Daarnaast werd aangevoerd dat een beroep op de Wbbbg slechts mogelijk zou zijn, wanneer er geen tijd was om een zogenaamde ‘spoedwet’ te maken. Na een uitvoerig gemotiveerde conclusie van de PG wees de Hoge Raad beide cassatieonderdelen af.
Opleiding
- Rechtsgeleerdheid (Universiteit van Amsterdam), 1993
- Propaedeuse Culturele Antropologie; Vrij doctoraal Politiek-Sociaal-Culturele Wetenschappen (Universiteit van Amsterdam), 1992
- Filmacademie (St Lukas en NaRaFi, Brussel); 1985
Expertise
- Civiele procedure
- Corporate en M&A
- Handelsrecht
- Cassatie en hoger beroep
- Internationaal