Contact opnemen
Familie- en erfrecht 06 oktober 2026

Wetsvoorstel bestemming lichamen overledenen naar Raad van State

Leestijd: 6 minuten | Auteur: Silke Lennips

De samenleving verandert voortdurend. Dat geldt ook voor de manier waarop mensen nadenken over hun afscheid en de bestemming van hun lichaam na overlijden. Hoewel begraven en cremeren voor veel mensen nog altijd de meest gebruikelijke keuzes zijn, bestaat er steeds meer behoefte aan een persoonlijk afscheid dat aansluit bij individuele wensen, overtuigingen en levensstijl. Tegelijkertijd zijn de regels rondom overlijden en uitvaart nog grotendeels gebaseerd op wetgeving die niet altijd meer aansluit bij de praktijk van vandaag.

Het is belangrijk dat op een waardige en respectvolle manier wordt omgegaan met het lichaam van een overledene. Daarom bevat de huidige Wet op de lijkbezorging regels over onder meer het vaststellen van de identiteit van de overledene, onderzoek naar de doodsoorzaak en de uiteindelijke bestemming van het lichaam. 

Duidelijke wettelijke regels zijn daarbij onmisbaar. Na een overlijden moeten vaak binnen korte tijd belangrijke beslissingen worden genomen. Ook binnen het familie- en erfrecht spelen daarbij verschillende juridische vraagstukken. Regelgeving biedt dan houvast voor nabestaanden, waarborgt dat zorgvuldig wordt omgegaan met het lichaam van een overledene en beschermt ook bredere maatschappelijke belangen, zoals waarheidsvinding en volksgezondheid. Zonder een duidelijk wettelijk kader zou immers onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag welke mogelijkheden zijn toegestaan, welke procedures moeten worden gevolgd en welke waarborgen gelden voordat een lichaam een definitieve bestemming krijgt. 

De wetgeving op dit terrein is in het verleden al meerdere malen aangepast om aan te sluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt echter geconcludeerd dat de huidige regeling niet langer op alle onderdelen aansluit bij de behoeften van deze tijd. Nieuwe technieken, veranderende uitvaartwensen en ervaringen uit de praktijk vormen aanleiding voor een nieuwe herziening van de wet. 

Daarom ligt er nu het wetsvoorstel Wet bestemming lichamen van overledenen. Dit voorstel moet de huidige Wet op de lijkbezorging vervangen en biedt meer ruimte voor persoonlijke keuzes, introduceert nieuwe mogelijkheden voor lijkbezorging en versterkt de mogelijkheden voor onderzoek naar de doodsoorzaak wanneer daar twijfel over bestaat. Op 25 september 2026 heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel. Het voorstel ligt momenteel voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Daarna zal het aan de Tweede Kamer en vervolgens aan de Eerste Kamer worden voorgelegd. 

In deze blog bespreek ik de belangrijkste voorgestelde wijzigingen en de praktische problemen die de wetgever daarmee probeert op te lossen.

Meer ruimte voor de bestemming van het lichaam

Een belangrijk uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de bestemming van het lichaam van een overledene zoveel mogelijk moet aansluiten bij diens wensen. Onder "bestemming" wordt verstaan wat er uiteindelijk met het lichaam gebeurt na overlijden, zoals begraven, cremeren, terbeschikkingstelling aan de wetenschap of, straks mogelijk, resomeren. Daarbij geldt al jarenlang als uitgangspunt dat de wens of vermoedelijke wens van de overledene leidend is, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk en toegestaan is.

De huidige Wet op de lijkbezorging kent een gesloten systeem van toegestane bestemmingen en bevat verschillende regels die in de praktijk als beperkend kunnen worden ervaren. Zo is er geen ruimte voor nieuwe uitvaartvormen, kunnen bepaalde laatste wensen niet altijd worden uitgevoerd en sluiten sommige procedures niet goed aan bij religieuze of maatschappelijke ontwikkelingen.

Het wetsvoorstel probeert hierop aan te sluiten door de mogelijkheden rondom de bestemming van het lichaam te verruimen. De belangrijkste wijzigingen zijn de introductie van resomeren, de mogelijkheid van een gezamenlijke bestemming van twee overledenen, het bijzetten van een asbus in een kist en het vereenvoudigen van begraven binnen 24 uur na overlijden

1. Resomeren wordt een nieuwe toegestane bestemming van het lichaam

Misschien wel de meest in het oog springende wijziging is de introductie van resomeren, ook wel alkalische hydrolyse genoemd. Deze vorm van lijkbezorging wordt bijvoorbeeld al toegepast in delen van de Verenigde Staten en Canada, maar is in Nederland op dit moment nog niet toegestaan.

Resomeren houdt, kort door de bocht, in dat een lichaam wordt afgebroken in een verwarmde vloeistof waaraan een basische stof is toegevoegd. Uiteindelijk blijven de botresten over, die worden vermalen tot een fijn poeder. Net als bij een crematie kunnen nabestaanden dit poeder vervolgens bewaren of uitstrooien.

Anders dan bij sommige andere voorgestelde wijzigingen is hier niet zozeer sprake van een concreet praktijkprobleem dat moest worden opgelost. De aanleiding ligt vooral in een veranderende maatschappelijke behoefte. De afgelopen jaren is de belangstelling voor alternatieve en duurzamere vormen van lijkbezorging toegenomen. Hoewel de techniek al langere tijd bestaat en in verschillende landen wordt toegepast, bood de huidige Nederlandse wetgeving hiervoor geen ruimte.

Met het wetsvoorstel wordt die mogelijkheid alsnog gecreëerd. Opvallend is dat andere alternatieven, zoals humaan composteren en cryomeren, vooralsnog niet worden toegestaan.

2. Samen begraven, cremeren of resomeren wordt mogelijk

Het uitgangspunt van de huidige wet is dat iedere overledene een eigen kist of omhulsel krijgt. Gezamenlijke begraving of crematie van twee personen is daardoor in de praktijk vrijwel onmogelijk. 

Juist in bijzondere en emotionele situaties blijkt dat als een gemis te worden ervaren. In de toelichting op het wetsvoorstel worden voorbeelden genoemd van doodgeboren tweelingen, een moeder en kind die kort na elkaar overlijden, partners die gelijktijdig om het leven komen bij een verkeersongeval. Daarnaast wordt gewezen op situaties van gezamenlijke euthanasie, waarbij (bijvoorbeeld) partners bewust samen afscheid van het leven nemen. In dergelijke situaties bestaat bij nabestaanden soms een sterke wens om hun dierbaren gezamenlijk hun laatste rustplaats te geven. 

Hoewel die wens begrijpelijk is, biedt de huidige wet daarvoor nauwelijks ruimte. Het wetsvoorstel verandert dit door mogelijk te maken dat twee overledenen gezamenlijk worden begraven, gecremeerd of geresomeerd. Wel blijft van belang dat iedere overledene afzonderlijk kan worden geïdentificeerd en dat eventuele strafrechtelijke belangen niet worden geschaad. 

Deze wijziging sluit daarmee beter aan bij situaties waarin nabestaanden het als onnatuurlijk ervaren om personen die in leven nauw met elkaar verbonden waren na overlijden van elkaar te scheiden.

3. Flexibilisering van de termijn voor bestemming 

Een andere voorgestelde wijziging ziet op de termijn waarbinnen een overledene een bestemming kan krijgen. Op grond van de huidige Wet op de lijkbezorging mag een lichaam in beginsel niet binnen 36 uur na overlijden worden begraven of gecremeerd. Van deze termijn kan wel worden afgeweken, maar daarvoor is toestemming van de burgemeester vereist. De burgemeester moet daarbij een arts raadplegen en kan in bepaalde gevallen ook de officier van justitie betrekken.

Juist die (administratieve) procedure wordt in sommige situaties als onnodig belastend ervaren. Binnen bepaalde religieuze stromingen, zoals het jodendom en de islam, bestaat de wens om een overledene zo spoedig mogelijk na overlijden te begraven, bij voorkeur binnen 24 uur. Hoewel de huidige wet daarvoor ruimte biedt, moeten nabestaanden daarvoor eerst een uitzonderingsprocedure doorlopen. De daarmee gepaard gaande administratieve handelingen worden door betrokkenen regelmatig ervaren als een extra belasting op een moment waarop zij al geconfronteerd worden met een overlijden en de organisatie van een uitvaart.

Het wetsvoorstel neemt deze belemmering weg door de huidige minimumtermijn van 36 uur voor begraven te laten vervallen. Daarmee wordt het eenvoudiger om uitvoering te geven aan persoonlijke, religieuze en culturele wensen rondom het afscheid van een overledene. Dat betekent overigens niet dat een overledene voortaan automatisch binnen 24 uur kan worden begraven. De gebruikelijke waarborgen blijven bestaan. Zo moet de schouw zijn afgerond, moet een verklaring van overlijden zijn afgegeven en moet verlof voor begraving zijn verleend. Wanneer aanwijzingen bestaan voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden, zal eerst nader onderzoek moeten plaatsvinden.

Het wetsvoorstel gaat bovendien verder dan alleen het schrappen van de 36-uurstermijn. Zo wordt als uitgangspunt geïntroduceerd dat gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria iedere dag van het jaar gedurende een redelijke tijd gelegenheid bieden voor begraven of cremeren. Daarmee wordt voorkomen dat een uitvaart onnodig vertraging oploopt doordat een gemeentelijke voorziening op een zon- of feestdag gesloten is. Gemeenten kunnen hier overigens bij verordening van afwijken wanneer dit in de lokale situatie niet haalbaar wordt geacht.

Ook wordt de uiterste termijn waarbinnen een lichaam een bestemming moet krijgen aangepast. Waar nu een termijn van zes werkdagen geldt, wordt dat straks tien dagen. Daarnaast wordt de procedure voor verlenging van die termijn vereenvoudigd doordat de burgemeester niet langer verplicht is om altijd eerst een arts te raadplegen. Daarmee beoogt het wetsvoorstel niet alleen meer ruimte te bieden voor een snelle bestemming van het lichaam, maar ook de regelgeving beter aan te laten sluiten bij de praktijk en onnodige administratieve lasten te verminderen.

4. Bijzetten van een asbus in een kist

De huidige Wet op de lijkbezorging staat er niet aan in de weg dat de asbus van een eerder overleden persoon wordt mee begraven in de kist van een later overleden dierbare. Toch bestaat hierover in de praktijk onduidelijkheid, omdat een expliciete wettelijke regeling ontbreekt.

In de praktijk bestaat wel behoefte aan deze mogelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan echtgenoten die verschillende keuzes maken voor hun uitvaart. Wanneer de eerstoverleden partner wordt gecremeerd en de langstlevende partner later kiest voor een begrafenis, kan de wens bestaan om uiteindelijk toch samen een laatste rustplaats te krijgen.

Om deze onduidelijkheid weg te nemen, wordt voorgesteld expliciet vast te leggen dat een asbus voorafgaand aan een begrafenis in dezelfde kist mag worden geplaatst. Hierdoor kunnen dierbaren die voor verschillende vormen van bestemming hebben gekozen, uiteindelijk toch op een symbolische manier met elkaar worden verenigd.

Een vergelijkbare regeling wordt niet voorgesteld voor crematie. Volgens de toelichting is dat ook niet nodig, omdat de as van meerdere gecremeerde overledenen na de berging van de as met elkaar kan worden vermengd. 

Meer dan alleen de bestemming van het lichaam 

De hiervoor besproken wijzigingen zien vooral op de bestemming van het lichaam van een overledene en de ruimte die daarbij wordt geboden voor persoonlijke wensen. Het wetsvoorstel gaat echter verder dan dat. Ook op andere onderdelen wordt de bestaande regelgeving gemoderniseerd. Zo worden de mogelijkheden voor onderzoek naar de doodsoorzaak uitgebreid en komen er duidelijkere regels voor de omgang met het lichaam van een overledene.

5. Meer onderzoek bij twijfel over de doodsoorzaak

Het wetsvoorstel bevat ook wijzigingen die zien op het onderzoek naar de doodsoorzaak. Politie en forensische artsen krijgen meer mogelijkheden om onderzoek te doen wanneer niet direct duidelijk is of sprake is van een natuurlijke dood. Zo wordt het onder meer mogelijk om aanvullend toxicologisch onderzoek te verrichten en radiologisch onderzoek, zoals een CT-scan of röntgenonderzoek, uit te voeren.

Aanleiding voor deze wijziging is dat uit eerder onderzoek naar de keten van lijkschouw en gerechtelijke sectie bleek dat de huidige mogelijkheden voor onderzoek in sommige gevallen tekortschieten. Wanneer een forensisch arts twijfelt over de aard van het overlijden, zijn de mogelijkheden om die twijfel weg te nemen op dit moment beperkt.

Dat kan problematisch zijn. Niet alleen omdat nabestaanden soms met onbeantwoorde vragen achterblijven, maar ook omdat aanwijzingen voor een niet-natuurlijk overlijden daardoor mogelijk onopgemerkt blijven. Met de voorgestelde bevoegdheden moet beter kunnen worden vastgesteld of sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood, waardoor zowel de waarheidsvinding als de positie van nabestaanden wordt versterkt.

6. Duidelijkere regels voor de omgang met het lichaam

Tot slot bevat het wetsvoorstel duidelijkere regels over de omgang met het lichaam van een overledene. In de praktijk bleek onduidelijkheid te bestaan over de vraag welke verzorgende handelingen al vóór de schouw mogen plaatsvinden. Daardoor werd soms gewacht met handelingen als het sluiten van de ogen, het wassen en afleggen van de overledene of het koelen van het lichaam totdat een arts de schouw had verricht.

Dat leidde in sommige gevallen tot ongewenste situaties. Zo kon een overledene urenlang onaangeroerd blijven liggen in afwachting van een schouwarts, terwijl nabestaanden en zorgverleners juist behoefte hadden aan een respectvolle verzorging van het lichaam. Ook kon het uitblijven van verzorging of koeling gevolgen hebben voor de toonbaarheid van het lichaam tijdens een opbaring.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het nooit de bedoeling is geweest om alle verzorgende handelingen uit te stellen totdat de schouw heeft plaatsgevonden. Met het wetsvoorstel wordt daarom verduidelijkt dat dergelijke handelingen al vóór de schouw kunnen plaatsvinden, mits een zorgvuldig onderzoek naar de doodsoorzaak daardoor niet wordt belemmerd. Daarmee wordt meer duidelijkheid geboden aan zorgverleners, uitvaartprofessionals en nabestaanden.

Daarnaast past deze wijziging binnen een bredere doelstelling van het wetsvoorstel: het beter beschermen van de lichamelijke integriteit van overledenen en het creëren van duidelijke wettelijke kaders voor de omgang met het lichaam na overlijden.

Conclusie

Met het wetsvoorstel Wet bestemming lichamen van overledenen wordt niet alleen ruimte geboden voor nieuwe uitvaartwensen, maar wordt ook geprobeerd bestaande knelpunten in de praktijk weg te nemen. Van resomeren en gezamenlijke begraving tot een soepelere regeling voor een snelle uitvaart en betere mogelijkheden om onderzoek te doen naar de doodsoorzaak: de voorgestelde wijzigingen moeten ervoor zorgen dat de wet beter aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de behoeften van deze tijd.

Tegelijkertijd blijft een belangrijk uitgangspunt behouden: het lichaam van een overledene moet op een waardige en respectvolle manier worden behandeld, met oog voor zowel de wensen van de overledene als de belangen van nabestaanden en de samenleving als geheel. Of en in welke vorm de voorgestelde wijzigingen uiteindelijk wet worden, zal blijken nadat het wetsvoorstel het verdere wetgevingsproces heeft doorlopen.

Een overlijden brengt naast praktische en persoonlijke vragen ook juridische vraagstukken met zich mee. Onze advocaten van het familie- en erfrecht adviseren nabestaanden onder meer over de afwikkeling van een nalatenschap en andere erfrechtelijke kwesties.

Delen via
Contact

Heb je een vraag? Stel die dan gerust. Wij nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Contact opnemen

Kennis

Alle kennis
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.