Contact opnemen
Ondernemingsrecht 10 oktober 2025

Rechterswissel in de Ondernemingskamer

Contact opnemen
Leestijd: 6 minuten


OK; 2:235 BW e.v. Aandeelhouder X en aandeelhouder Y waren elk voor 50% aandeelhouder in Z BV (hierna: ‘de BV’). De aandeelhouders hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin aandeelhouder Y de aandelen zo overdragen aan aandeelhouder X. Aan de vaststellingsovereenkomst is geen uitvoering gegeven. Over en weer zijn vorderingen ingesteld op de voet van de geschillenregeling uit artikel 2:235 BW. Een ondernemingskamer houdt zitting met drie raadsheren en twee raden. De Hoge Raad bevestigt in deze uitspraak dat de regels die gelden voor een rechterswissel (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472) ook gelden voor raden in de Ondernemingskamer.

In deze zaak kan het eindarrest van de ondernemingskamer niet in stand blijven. Het eindarrest was namelijk gewezen door twee andere raadsheren en twee andere raden dan die bij de mondelinge behandeling aanwezig waren. Voorafgaand aan het eindarrest was geen mededeling gedaan van de rechterswissel bij partijen. 

Partijen

De partijen zijn in dit arrest X BV, de aandeelhouder van X BV als eiser en Y BV de aandeelhouder van Y BV als gedaagde. 

Feiten

In het door [eisers] bij de Ondernemingskamer ingestelde hoger beroep heeft op 3 juni 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. M.M.M. Tillema, mr. A.J. Wolfs en mr. A.W.H. Vink als raadsheren en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en drs. A.G. Thomassen RT REP als raden. Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak inhoudelijk behandeld. Op 30 november 2021 en 5 april 2022 zijn in deze samenstelling tussenarresten gewezen. 

Het eindarrest is vervolgens gewezen door mr. A.W.H. Vink, mr. D. Kingma en mr. J.M. de Jongh als raadsheren en prof. dr. mr. A.J.C.C.M. Loonen en dr. M.J.R. Broekema RV als raden. Enkel mr. A.W.H. Vink was ook tijdens de mondelinge behandeling aanwezig als raadsheer. 

Zowel onderdeel 1 van het middel in het principaal beroep en onderdeel 1 van het middel in incidenteel beroep betogen dat het eindarrest van de Ondernemingskamer niet in stand kan blijven, omdat na de mondelinge behandeling een rechterswisseling heeft plaatsgevonden zonder dat een der partijen daarvan op de hoogte was. 

Eerdere jurisprudentie met betrekking tot rechterswissel

De Hoge Raad heeft in HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472 reeds bepaald dat wanneer na de mondelinge behandeling één of meerdere rechters die aanwezig waren bij de inhoudelijke mondelinge behandelingen worden vervangen, het gerecht voor de eerstvolgende uitspraak aan partijen moet mededelen dat er een rechterswisseling heeft plaatsgevonden. Deze regel geldt voor elke uitspraak waarin een rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden voor het eerst door een andere rechter wordt vervangen, ook indien na de mondelinge behandeling al een of meer tussenuitspraken zijn gedaan. De Hoge Raad komt in dat arrest terug van een eerdere uitspraak, waarin de Hoge Raad had geoordeeld dat de verplichting voor het gerecht om na een mondelinge behandeling mededeling te doen van rechterswisseling vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt en dat het na zo een uitspraak, zoals bijvoorbeeld een tussenvonnis na mondelinge behandeling, aan partijen is om contact op te nemen met de rechtbank of er een wisseling heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet langer werkbaar was voor de praktijk. Elk der partijen mag verzoeken om een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de rechters door wie de uiteindelijke uitspraak zal worden gewezen. 

Rechterswissel Ondernemingskamer

De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige arrest dat hetgeen is bepaald voor een rechterswisseling ook geldt indien het niet alleen om rechters, maar ook om raden gaat, zoals dat bij de Ondernemingskamer het geval is. Dit, omdat de lijn door de Hoge Raad is uitgezet dat gewaarborgd moet worden dat hetgeen wordt verhandeld op de mondelinge behandeling ook daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing. 

Nu is het eindarrest gewezen door twee andere raadsheren en twee andere raden dan die die bij de mondelinge behandeling aanwezig waren en uit de door de Advocaat-Generaal bij de Ondernemingskamer ingewonnen inlichtingen blijkt dat partijen hierover niet zijn geïnformeerd. Op verzoek van de Advocaat-Generaal heeft de griffie van de Hoge Raad navraag gedaan bij de Ondernemingskamer. De voorzitter heeft toen geantwoord dat hij ‘na enig naspeuren’ kon laten weten dat er door de Ondernemingskamer geen mededeling van de combinatiewisseling is aangetroffen en dat de Ondernemingskamer er daarom vanuit gaat dat deze mededeling niet is gedaan. 

In HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat omdat de rechtspraktijk met hetgeen de Hoge Raad bepaalt omtrent rechterswisseling nog geen rekening had kunnen houden, de schending van het bepaalde eerst na 20 maart 2020 (datum arrest) tot een rechtsgevolg kan leiden indien de mondelinge behandeling plaatsvindt na de datum van dat arrest, en er vervolgens sprake is van een rechterswisseling. In dit geval heeft de Ondernemingskamer op 3 juni 2021 een mondelinge behandeling gehouden,  op 30 november 2021 en 5 april 2022 zijn er tussenarresten gewezen. Het eindarrest dateert van 28 november 2023. Ook aan het temporele vereiste is dus voldaan. 

Het eindarrest wordt vernietigd en wordt terugverwezen naar de Ondernemingskamer voor verdere behandeling en beslissing. 

H. Boven, februari 2025 

Details

ECLI: ECLI:NL:HR:2025:114
Instantie: Hoge Raad
Datum van uitspraak: 24 januari 2025

Meer weten over deze update? Neem gerust contact op.

Contact opnemen

Delen via

Kennis

Alle kennis

Contactformulier

Heb je een vraag? Stel die dan gerust. Wij nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.