In onze vorige blogs bespraken wij al drie van de vijf gronden waarop het bedrijfstakpensioenfonds u als werkgever moet vrijstellen van de verplicht gestelde pensioenregeling: de vrijstelling wegens bestaande pensioenvoorziening, de groepsvrijstelling en de cao-vrijstelling.
Vandaag worden de laatste twee verplichte vrijstellingsgronden beschreven: in geval van netto pensioen en de beleggingsperformancevrijstelling.
‘Vrijstelling’ betekent in dit verband dat de werknemers in uw onderneming – hoewel vallend onder de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit – toch niet gaan deelnemen aan de verplicht gestelde pensioenregeling. En met ‘verplichte vrijstelling’ bedoelen we: op het moment dat u aan de voorwaarden daarvoor voldoet, is het bedrijfstakpensioenfonds verplicht u vrijstelling te verlenen.
De vrijstelling in geval van netto pensioen
Deze vrijstelling houdt in dat een werkgever vrijstelling krijgt van deelname aan de in de bedrijfstakpensioenregeling opgenomen netto pensioenregeling. De netto pensioenregeling is een regeling waarmee pensioen kan worden opgebouwd over het salaris boven het maximaal fiscaal pensioengevend loon (in 2020 is dat € 110.111,-). Een netto pensioenregeling kan onderdeel zijn van de verplichtstelling en daar kan dus op verzoek van de werkgever vrijstelling voor worden verleend.
Voorwaarde is wel dat dat er een gelijkwaardige regeling bij een andere pensioenuitvoerder (bijvoorbeeld een verzekeraar) wordt onder gebracht. Voor het overige blijft de werkgever verplicht deelnemen in het bedrijfstakpensioenfonds. De rest van de verplichte pensioenregeling zal dus wel nog steeds toegepast moeten worden.
De beleggingsperformancevrijstelling
En werkgever heeft ook recht op vrijstelling als het bedrijfstakpensioenfonds onvoldoende presteert met zijn beleggingsbeleid. De achtergrond hiervan is dat werkgevers niet gedwongen kunnen worden aangesloten te blijven bij een op het punt van de beleggingen slecht presterend fonds. In dat geval levert de betaalde premie namelijk te weinig rendement en daardoor uiteindelijk een lage pensioenuitkering op.
Er is sprake van slecht presteren als het rendement van de beleggingen van het bedrijfstakpensioenfonds over een periode van 5 jaar aanzienlijk lager is dan het rendement van de voor die 5 jaar gekozen normportefeuille. Deze normportefeuille wordt vooraf door het pensioenfonds zelf opgesteld op basis van zelfgekozen criteria voor risico, liquiditeit en rendement en dient als basis om achteraf de resultaten van de beleggingen mee te vergelijken. Het bedrijfstakpensioenfonds dient jaarlijks het beleggingsbeleid en de normportefeuille vast te stellen.
Vrijstelling is ook mogelijk als er geen adequaat beleggingsbeleid is, als er geen normportefeuille is of als sprake is van onvoldoende onderbouwing van een wijziging van beleggingsbeleid of normportefeuille.
Voorwaarde voor deze vrijstelling is dat de pensioenregeling van de werkgever ten minste dezelfde aanspraken biedt als de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Als het bedrijfstakpensioenfonds is herverzekerd, dan geldt deze vrijstelling in beginsel niet.
Nu weet u wanneer u in aanmerking kunt komen voor een vrijstelling van de verplicht gestelde pensioenregeling in geval van netto pensioen en op grond van de beleggingsperformancevrijstelling. Bij vragen kunt u altijd contact opnemen met de pensioensrecht advocaten van Damsté.
In ons volgende blog wordt ingezoomd op de preventie: de ‘BPF-check’.