Deze zaak betreft een enquêteverzoek betreffende een familiebedrijf met meerdere vennootschappen waarin twee broers ieder 50% aandeelhouder en bestuurder zijn. De verhouding tussen hen is duurzaam en ernstig verstoord. Pogingen tot mediation en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst zijn herhaaldelijk mislukt. De OK oordeelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschappen. De impasse schaadt het vennootschappelijk belang en maakt de onderneming onwerkbaar op aandeelhouders- en bestuursniveau. Ontvlechting wordt als enige reële oplossing gezien. Broer 2 heeft ter zitting verklaard niet bereid te zijn de aandelen van broer 1 over te nemen tegen een door de OK vast te stellen prijs. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de OK van oordeel dat bij deze stand van zaken het belang van de vennootschappen vergt dat het aandeelhouderschap van broer 2 eindigt. Het verzoek van broer 1 om broer 2 te bevelen de door haar gehouden aandelen in de vennootschappen over te dragen tegen een door de OK vast te stellen prijs zal om die reden worden toegewezen.
Partijen
Vennootschap A, vennootschap B en vennootschap C gezamenlijk als de Vennootschappen. Het zijn ondernemingen in een circulair autodemontagebedrijf.
Verzoekster is aandeelhouder 1 en tevens broer 1. Verweerster is aandeelhouder 2 en tevens broer 2.
Feiten
De zaak betreft twee broers die elk via hun eigen vennootschap indirect 50% van de aandelen houden in een ondernemingsgroep met aan top, vennootschap A. Beide broers zijn tevens (indirect) bestuurder van de concernvennootschappen en ieder is zelfstandig bevoegd om de vennootschap A te vertegenwoordigen. Sinds het jaar 2000 runnen de broers de onderneming gezamenlijk.
Al jarenlang zijn de verhoudingen tussen de broers ernstig verstoord. In 2020 is geprobeerd via mediation verbeteringen aan te brengen in de samenwerking, maar zonder succes. De mediator leverde op 23 mei 2024 een eindverslag waarin werd geconcludeerd dat er “in de basis geen vertrouwen meer is tussen de twee broers” en dat de situatie onwerkbaar was geworden.
In maart 2025 werd een concept-vaststellingsovereenkomst opgesteld waarin onder meer stond dat broer 2 de aandelen van broer 1 zou overnemen voor € 2.000.000, mits hij binnen 12 weken financiering kreeg. Deze overeenkomst is echter niet ondertekend door broer 1. Op 1 april 2025 dagvaardde broer 2 broer 1 en diens vennootschappen in kort geding, met vorderingen tot nakoming van de concept-vaststellingsovereenkomst en schorsing van bestuurders. Deze vorderingen werden bij vonnis van 20 juni 2025 afgewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.
Verzoek en verweer
Broer 1 verzoekt de OK om: 1) een enquête te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap, 2) een onmiddellijke voorziening te treffen, en 3) Broer 2 uit te stoten op basis van de geschillenregeling.
Broer 2 voert verweer, erkent wel dat de verhouding verstoord is, maar betwist dat op basis daarvan enquête en uitstoting aan de orde zijn; hij stelt dat ook Broer 1 in strijd zou handelen met het vennootschappelijk belang.
De gronden van de beslissing
Gegronde redenen
De verhouding tussen de twee broers, die samen aandeelhouder en bestuurder zijn, is al jarenlang ernstig en duurzaam verstoord. Deze verstoorde verhouding heeft een duidelijk negatieve invloed op het functioneren van de vennootschappen. De broers kunnen geen gezamenlijke besluiten meer nemen en staan lijnrecht tegenover elkaar over de te varen koers.
De impasse heeft geleid tot concrete problemen: de jaarrekening over 2023 is vertraagd vastgesteld, waardoor verplichtingen richting Rabobank niet tijdig zijn nagekomen, de relatie met de accountant is onder druk komen te staan en ook het personeel ervaart de gevolgen, wat blijkt uit meerdere ontslagen en klachten. De Ondernemingskamer concludeert dat op zowel bestuurs- als aandeelhoudersniveau een onomkeerbare en onwerkbare situatie is ontstaan. Daarom wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschappen.
Onderzoek en onmiddellijke voorzieningen
De Ondernemingskamer beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van vennootschap A, B en C vanaf 1 januari 2020, met bijzondere aandacht voor de oorzaak van de verstoorde verhouding tussen de broers. Gezien de huidige toestand van de vennootschappen acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om als onmiddellijke voorziening een onafhankelijke derde als bestuurder van vennootschap A en C te benoemen. Voor het treffen van aanvullende onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding. De aanwijzing van een onderzoeker wordt voorlopig aangehouden om te bekijken of de benoeming van de bestuurder al tot een oplossing kan leiden. Partijen of de bestuurder kunnen op elk moment verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
Verzoek tot uitstoting
De Ondernemingskamer stelt voorop dat uitstoting slechts kan worden toegewezen wanneer een aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat voortzetting van het aandeelhouderschap onredelijk is. Daarbij moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het vennootschappelijk belang en het belang van de aandeelhouder om aan te blijven.
Vaststaat dat de verhouding tussen de broers duurzaam verstoord is en dat dit het functioneren van de vennootschap ernstig schaadt. Beide hebben bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de impasse. Hun verklaringen dat zij elkaar niet meer kunnen verdragen, maken duidelijk dat de situatie blijvend en onomkeerbaar is, met schadelijke gevolgen voor de onderneming en haar personeel.
De Ondernemingskamer concludeert dat door het gedrag van beide aandeelhouders een onoplosbare impasse is ontstaan, waardoor het vennootschappelijk belang ernstig wordt geschaad. Broer 2 heeft ter zitting verklaard niet bereid te zijn de aandelen van broer 1 over te nemen tegen een door de Ondernemingskamer vast te stellen prijs, omdat hij mede met het oog op zijn leeftijd niet bereid is om het daarmee gepaard gaande financiële risico op zich te nemen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de Ondernemingskamer van oordeel dat bij deze stand van zaken het belang van de Vennootschappen vergt dat het aandeelhouderschap van broer 2 eindigt. Het verzoek van broer 1 om te bevelen dat broer 2 zijn aandelen in vennootschap A overdraagt tegen een door de Ondernemingskamer vast te stellen prijs wordt daarom toegewezen.
Prijs: deskundige en peildatum
Voor de vaststelling van de prijs van de over te dragen aandelen geldt dat broer 2 recht heeft op een reële en redelijke vergoeding. De Ondernemingskamer zal op grond van artikel 2:339 lid 1 BW één deskundige benoemen om een deskundigenonderzoek uit te voeren en daarover schriftelijk te rapporteren. De deskundige dient binnen zes weken, of eerder indien mogelijk, een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek op te stellen en aan de Ondernemingskamer te sturen. In de uiteindelijke beschikking zal de Ondernemingskamer bepalen wie de kosten van het deskundigenonderzoek en -bericht draagt, maar vooruitlopend hierop komt het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van vennootschap A.
Stukker, oktober 2025
Details
ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2025:2275
Instantie: Enterprise Chamber of the Amsterdam Court of Appeal
Datum uitspraak: 7 augustus 2025