In ons vorige blog bespraken wij de procedurele mogelijkheden die u heeft als uw verzoek om vrijstelling van de verplicht gestelde pensioenregeling geweigerd wordt. In de komende blogs gaan wij dieper in op de individuele vrijstellingsgronden. De eerste vrijstellingsgrond die we behandelen is de vrijstelling in verband met het hebben van een eigen pensioenregeling.
Het hebben van een eigen pensioenregeling is een verplichte vrijstellingsgrond. Dat wil zeggen: op het moment dat u aan de voorwaarden voldoet, is het bedrijfstakpensioenfonds verplicht u vrijstelling te verlenen. Krijgt u geen vrijstelling, dan kunt u dit alsnog via de rechter afdwingen.
Is het dan zo dat u altijd vrijstelling krijgt als u een eigen – wellicht zelfs betere – regeling voor uw werknemers heeft getroffen? Nee, helaas. U krijgt slechts vrijstelling op deze grond als:
- de eigen pensioenvoorziening tijdig bestond, en
- de eigen pensioenvoorziening is actuarieel en financieel gelijkwaardig aan de verplicht gestelde regeling.
Let op: het moet wel gaan om een eigen pensioenvoorziening. Aansluiting bij een ander (verplicht gesteld) bedrijfstakpensioenfonds of deelname aan het ondernemingspensioenfonds van het concern waartoe u behoort, kwalificeert niet als eigen pensioenvoorziening. In dat geval kan dus geen vrijstelling verkregen worden op deze grond.
Tijdigheid
De eigen pensioenvoorziening moet tijdig getroffen te zijn. Aan dit tijdigheidscriterium is voldaan als de eigen pensioenregeling ten minste zes maanden van kracht was op het moment dat de aanvraag tot verplichtstelling van haar regeling door het bedrijfstakpensioenfonds bij de Minister is ingediend. Op het moment dat u snel een pensioenregeling gaat treffen op het moment dat de aanvraag tot verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds gepubliceerd wordt, bent u dus te laat.
Ook kan het zijn dat uw onderneming als gevolg van wijziging van de activiteiten onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds gaat vallen. Had u al zes maanden voor dat moment een eigen pensioenregeling, dan komt u in aanmerking voor vrijstelling.
Actuarieel en financieel gelijkwaardig
Met alleen het hebben van een eigen pensioenregeling bent u er echter nog niet. Uw eigen pensioenregeling moet namelijk ook nog actuarieel en financieel gelijkwaardig zijn aan de verplicht gestelde pensioenregeling. Dit dient door een actuaris conform de daarvoor geldende rekenregels vastgesteld te worden. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat de eigen pensioenregeling actuarieel en financieel gelijkwaardig is. De kosten komen daarmee ook voor rekening van de werkgever.
Eenmaal verleende vrijstelling
Helaas geldt de vrijstelling niet onbeperkt. Het aantonen van de actuariële en financiële gelijkwaardigheid van de pensioenregeling is een terugkerend verschijnsel: in ieder geval iedere vijf jaar zult u door middel van een actuariële berekening de gelijkwaardigheid van uw eigen pensioenregeling moeten aantonen. Daarnaast kan het pensioenfonds ook een nieuwe berekening verlangen op het moment dat de verplicht gestelde pensioenregeling ingrijpend wordt gewijzigd. In de praktijk heeft u dus te maken met een terugkerende kostenpost.
Nu weet u wanneer u in aanmerking kunt komen voor een vrijstelling van de verplicht gestelde pensioenregeling vanwege het hebben van een eigen pensioenregeling. In ons volgende blog bespreken wij de volgende vrijstellingsgrond: de groepsvrijstelling.