Contact opnemen
08 maart 2017

Verjaring en eigendomsverkrijging door een bezitter te kwader trouw

Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309

In deze zaak was de gemeente Heusden (hierna: de gemeente) voornemens om werkzaamheden uit te voeren op een bosperceel dat volgens de kadastrale gegevens haar eigendom was. Eenmaal op de bestemming aangekomen, bleek echter dat ongeveer 400m2 van het perceel is omheind door de eigenaar van het aangrenzende perceel (hierna: verweerder). Deze had het perceel al sinds lange tijd, niet te goeder trouw, in gebruik. Verweerder beroept zich op verjaring en betoogt dat hij op de voet van artikel 3:105 lid 1 BW eigenaar is geworden van het perceel. Verweerder vordert een verklaring voor recht dat verweerder de strook door verjaring in eigendom heeft gekregen en de gemeente te veroordelen medewerking te verlenen aan notariële vastlegging van die verkrijging. De gemeente bestrijdt dit en vordert onder meer ontruiming van het perceel.

Openbaar en kenbaar handelen

De rechtbank wijst de vorderingen van de gemeente in eerste instantie toe, maar het Hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van verweerder toegewezen. Het hof oordeelt dat het voor verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:314 lid 2 BW voldoende is dat het handelen van verweerder openbaar was en daarmee voor de gemeente kenbaar. Volgens het hof is niet vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis had van de bezitsdaden waardoor zijn bezit is tenietgegaan. Het standpunt van de gemeente dat geen sprake was van openbare bezitsdaden (de afrastering was vanaf het nabijgelegen pad nauwelijks zichtbaar) kan daarmee geen stand houden. Volgens het hof is voor verjaring voldoende dat bij een inspectie van de gemeente kenbaar zou zijn geweest dat verweerder de strook in bezit had genomen.

De Hoge Raad

In cassatie richt de gemeente haar rechtsklachten tegen bovenstaande oordeel van het hof. De Hoge Raad overweegt dat het voldoende is voor het in artikel 3:105 BW bedoelde gevolg van voltooiing van de verjaringstermijn dat bij de niet-rechthebbende sprake is van bezit dat voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Met name is niet vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis had van de bezitsdaden waardoor zijn bezit is tenietgegaan. Voldoende is dat een en ander naar buiten toe – ook voor de rechthebbende – kenbaar was. Hoezeer het ook voor eigenaren van met name moeilijk begaanbare of moeilijk toegankelijke percelen bezwarend kan zijn deze periodiek op bezitsinbreuken te controleren, in de gelding van meerbedoelde wettelijke vereisten voor bezit kan die omstandigheid geen verandering brengen. Eerst indien moeilijke begaanbaarheid of moeilijke toegankelijkheid aan de kenbaarheid van de bezitsdaden in de weg staat, is van bezit van een inbreukmaker geen sprake. De Hoge Raad verwerpt daarmee het beroep van de gemeente, maar overweegt ten overvloede nog het volgende.

Een vordering uit onrechtmatige daad

De afwijzing van de vordering van de gemeente is volgens de Hoge Raad het gevolg van de keuze die de wetgever heeft gemaakt om ook een partij die een zaak te kwader trouw in bezit heeft genomen een beroep te doen toekomen op eigendomsverkrijging als bedoeld in artikel 3:314 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:105 lid 1 BW. Deze keuze laat volgens de Hoge Raad echter onverlet dat een dergelijke partij bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW. Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Het ligt in een dergelijk geval voor de hand dat de rechter de bezitter op grond van artikel 6:103 BW veroordeelt tot vergoeding van schade ‘in natura’, namelijk tot teruggave van de wederrechtelijk in bezit genomen zaak. De Hoge Raad merkt daarbij op dat een bezitter in een dergelijke procedure de benadeelde in de regel niet kan tegenwerpen dat deze heeft nagelaten regelmatig onderzoek te doen naar eventuele inbezitnemingen van zijn zaak door onbevoegden. Van een grondeigenaar kan niet worden verlangd dat hij zijn percelen periodiek op bezitsinbreuken controleert, als daarvoor geen concrete aanleiding bestaat.

Verjaring

Tot slot overweegt de Hoge Raad dat de zojuist bedoelde vordering uit onrechtmatige daad is onderworpen aan verjaring op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW. Deze vijfjarige verjaringstermijn vangt aan op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies. Behoudens eventuele stuiting van de verjaring verjaart de vordering uit onrechtmatige daad in ieder geval twintig jaar na het moment waarop de eigenaar zijn eigendom door verjaring is verloren. 

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.