De gedaagde partij heeft met een aanbieder van telecommunicatiediensten (KPN) twee abonnementen gesloten waarbij een ‘gratis’ telefoon is verstrekt. De gedaagde partij heeft op enig moment een betalingsachterstand, waardoor KPN de aansluitingen van de gedaagde partij geheel of gedeeltelijk buiten gebruik heeft gesteld. KPN heeft de overeenkomst ontbonden. KPN heeft de gedaagde gedagvaard voor de kantonrechter. Zij heeft betaling van het openstaande bedrag gevorderd. In het kader van deze procedure heeft de kantonrechter een aantal prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad die nodig zijn om vonnis te kunnen wijzen.
De rechter heeft de volgende vragen gesteld: Voldoet vermelding van een all-in-prijs aan de eisen die de wet stelt aan een kredietovereenkomst en koop op afbetaling? Mag de rechter de overeenkomst ambtshalve beoordelen? Wat zijn de gevolgen van een nietige of vernietigbare overeenkomst?
Een overeenkomst waarbij klanten een ‘gratis’ telefoon krijgen, kwalificeert in beginsel als koop op afbetaling (art. 7A:1576 lid 1 BW). Daarnaast kan zij vaak tevens als een kredietovereenkomst in de zin van art. 7:61 BW aangemerkt worden.
De Hoge Raad heeft de vragen als volgt beantwoord
Ad 1. Uit de all-in prijs die bij telefoonabonnementen wordt genoemd, waarin ook de abonnementskosten en eventuele rentekosten zijn verwerkt, valt niet af te leiden wat de prijs is van de mobiele telefoon. Uit art. 7:61 en art. 7A:1576 lid 2 BW blijkt echter dat de overeenkomst moet bepalen wat de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon is. Aan deze eis is dus niet voldaan als er slechts een all-in prijs wordt genoemd. De koopprijs van de telefoon die je bij het abonnement ‘krijgt’ moet dus worden vermeld in de overeenkomst. Dit heeft vooral ten doel om de consument te beschermen.
Ad 2. Art. 7:61 BW is een implementatie van richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Naar het oordeel van de Hoge Raad dient de rechter ter bescherming van de consument ambtshalve te beoordelen of een kredietovereenkomst in strijd is met nationale bepalingen die die richtlijn implementeren. Ter bescherming van de consument geldt dit ook voor art. 7A:1576 lid 2 BW.
Ad 3. De overeenkomst is nietig of vernietigbaar, indien de overeenkomst in strijd is met art. 7:61 lid 2 aanhef en onder e BW en/of art. 7A:1576 lid 2 BW doordat slechts een all-in-bedrag is overeengekomen.
De consument mag dan in beginsel volstaan met teruggave van het toestel in de staat waarin dit zich op het moment van de teruggave bevindt, zonder dat hij verplicht is tot vergoeding van de waardevermindering. Wel moet de consument, zodra hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave rekening moet houden, als een ‘zorgvuldig schuldenaar’ voor het toestel zorg dragen. Als de consument de telefoon niet meer in zijn bezit heeft, dan zal er een bedrag ter grote van de actuele waarde als vergoeding voor de aanbieder worden vastgesteld.
De aanbieder is gehouden tot het teruggeven van hetgeen hij op grond van de niet tot stand gekomen dan wel vernietigde overeenkomst heeft ontvangen. Er zal dan moeten worden bepaald welk gedeelte van het maandbedrag bestemd was voor de voldoening van de koopsom van de telefoon. Ook moeten de kosten die de consument voor het krediet heeft betaald worden terugbetaald.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de koopsom van de telefoon -die dus niet gratis is- in de overeenkomst moet staan, omdat anders de overeenkomst nietig of vernietigbaar is. De rechter moet ambtshalve beoordelen of dit het geval is.