De Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag heeft geconcludeerd dat de bestuursrechtspraak haar belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers heeft veronachtzaamd.
De commissie is met name geraakt door het wegredeneren van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dirk Sanderink betoogt in een opinieartikel in het Advocatenblad dat het wegredeneren van die beginselen en grondrechten door de bestuursrechter zich niet beperkt tot de Toeslagenaffaire. Die wijze van rechtspreken is door het hele bestuursrecht zichtbaar, bijvoorbeeld ook in het omgevingsrecht en belastingrecht.
Zo is de bestuursrechter in de praktijk bijvoorbeeld slechts zelden bereid een besluit van de overheid te vernietigen wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Als de wet het bestuur geen beleidsruimte biedt, toetst de bestuursrechter dat besluit zelfs helemaal niet aan het evenredigheidsbeginsel.
In de literatuur is terecht bepleit dat de bestuursrechter meer invulling moet geven aan het evenredigheidsbeginsel overeenkomstig de striktere en meer gestructureerde toetsing door bijvoorbeeld Duitse rechters en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Vooralsnog wil de Nederlandse bestuursrechter daar echter niet aan in zuiver nationale zaken die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen.
De bestuursrechter redeneert ook vaak grondrechten weg. De bestuursrechter verwerpt beroepen van burgers op grondrechten regelmatig in enkele zinnen en onder verwijzing naar de ruime beleidsruimte van het bestuur en/of de wetgever.
Nederland kent geen traditie van rechtspraak die het optreden van het bestuur en de wetgever kritisch toetst. In plaats daarvan bestaat in Nederland een traditie waarin de politiek en de rechter een groot vertrouwen stellen in politieke besluitvorming door het bestuur en de wetgever. Politieke besluitvorming is echter om meerdere redenen in hoge mate ongeschikt om individuele belangen van burgers te beschermen.
Dirk Sanderink betoogt dat de bestuursrechter ten behoeve van een effectieve rechtsbescherming van de burger op basis van de algemene rechtsbeginselen en grondrechten striktere grenzen aan de beleidsruimte van het bestuur en de wetgever dient te stellen.
De bestuursrechter dient zijns inziens binnen het gehele bestuursrecht meer invulling te geven aan zijn fundamentele rechtsstatelijke taak om de burger rechtsbescherming te bieden door een striktere toetsing van het overheidshandelen aan algemene rechtsbeginselen en grondrechten. De rechter biedt het bestuur en de wetgever op dit moment nauwelijks tegenwicht en daarmee functioneren de checks and balances niet naar behoren.