In dit blogbericht komt een drietal recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over planschade aan de orde.
Betekenis van een verlaging van de WOZ-waarde van een woning
In een uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:151) is de vraag aan de orde welke betekenis aan een verlaging de WOZ-waarde toekomt in een planschadeprocedure. De WOZ-waarde van een woning kan namelijk van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de te vergoeden planschade. Deze uitspraak is echter een voorbeeld van een geval waarin (de verlaging van) de WOZ waarde niet van belang wordt gevonden bij het bepalen van de omvang van de te vergoeden planschade.
De aanvrager, eigenaar van een woning die als gevolg van een Tracébesluit dichter bij een snelweg komt te liggen, voert aan dat uit de WOZ-beschikking blijkt dat het ontwerp van het Tracébesluit (de schadeoorzaak) bij het vaststellen van de WOZ-waarde is betrokken. Hij meende daarom dat de WOZ-waarde een rol speelt bij het bepalen van de omvang van de planschade. De verlaging van de WOZ-waarde heeft een indicatieve betekenis, stelt hij.
De Afdeling oordeelt dat dit niet zo is. Uit de WOZ-beschikking kan namelijk niet worden afgeleid dat bij de bepaling van de WOZ-waarde (ook) rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden die golden voordat het Tracébesluit (de schadeoorzaak) in werking trad.
Dat bij het bepalen van de WOZ-waarde niet, zoals bij de planvergelijking, wordt gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime en dat vooral de feitelijke situatie bepalend is voor de vaststelling van de waardedaling, maakt dat aan de verlaging van de WOZ-waarde niet de door de aanvrager gewenste conclusie kan worden verbonden.
Passieve risicoaanvaarding
In een andere uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:153) gaat het om de vraag of een aanvrager van planschade het risico van het vervallen van de mogelijkheid om op zijn perceel een vrijstaande woning te realiseren heeft aanvaard. Deze mogelijkheid is vervallen door het in werking treden van het bestemmingsplan Bennekom Oost in september 2012. Als hij het vervallen van die mogelijkheid heeft aanvaard, dan bestaat namelijk geen recht op vergoeding van planschade.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat in december 2006 een voorbereidingsbesluit voor een nieuw bestemmingsplan is genomen, dat dit een jaar later is vervallen en dat aanvrager vervolgens gedurende een periode van vier jaar in de gelegenheid is geweest alsnog te bouwen. Volgens de gemeente heeft hij hiertoe geen serieuze poging ondernomen.
De Afdeling overweegt dat uit het voorbereidingsbesluit blijkt dat de gemeenteraad het beleidsvoornemen had om verdichting van woningbouw tegen te gaan in het gebied waar het perceel van aanvrager is gelegen. Dit perceel hoort bij het huisperceel van aanvrager. Volgens de Afdeling maakt het niet uit of splitsing van dit perceel wel of niet heeft plaatsgevonden, omdat uit het voorbereidingsbesluit niet kan worden afgeleid dat het beleidsvoornemen van de gemeente slechts betrekking had op percelen die worden gesplitst. Naar het oordeel van de Afdeling is het voorbereidingsbesluit uit 2006 een concreet beleidsvoornemen. Niet in geschil is dat aanvrager na de bekendmaking hiervan geen concrete poging heeft ondernomen om de vervallen bouwmogelijkheid te realiseren. Dit betekent dat de aanvraag terecht wegens passieve risicoaanvaarding (‘riskant stilzitten’) is afgewezen.
Omvang van het normale maatschappelijke risico
In een laatste uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:143) is de omvang van het normale maatschappelijke risico in de zin van artikel 6.2 Wet ruimtelijke ordening in geschil. Deze bepaling houdt in dat alleen die schade wordt vergoed die uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen. De vraag of schade wel of niet tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. De vaststelling van de omvang van de schade is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan heeft beoordelingsruimte, maar dient de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico wel naar behoren te motiveren.
In deze uitspraak ging het om het oprichten van een paardenfokkerij in het buitengebied.
De eigenaar van een nabij gelegen woning verzocht om vergoeding van planschade. De adviseur kwam tot de conclusie dat een waardevermindering van de woning van 5% was opgetreden. Hij stelde dat in dit geval 3% van de waarde van de woning direct voor het intreden van de schade tot het normale maatschappelijke risico behoort. Dat is een hoger percentage dan het percentage van 2% als bedoeld in artikel 6.2 lid 2 Wro.
De Afdeling overweegt dat het realiseren van een paardenfokkerij in het buitengebied in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is. Dat betekent nog niet dat de ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag. De ontwikkeling paste in principe in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid, maar paste niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving. Dit betekent dat de eigenaar met een planologische ontwikkeling van deze omvang geen rekening behoefde te houden en dat de schade niet geheel in de lijn der verwachtingen lag. In het betoog van de paardenfokkerij is volgens de Afdeling geen grond te vinden voor het standpunt dat een groter deel dan 3% van de waarde van de woning tot het normale maatschappelijke risico behoort. Voor zover de schade boven de drempel van, in dit geval, 3% uitstijgt, is daarom terecht een tegemoetkoming toegekend.