Twee pensioeninstanties zijn gefuseerd tot één instantie. Door deze fusie is het eigen vermogen van de verdwijnende partij aangemerkt als vrij uitkeerbare reserve bij de verkrijgende partij. Twee pensioengerechtigden zijn het hier niet mee eens. De pensioenvoorziening moet volgens hen ten goede komen aan de deelnemers van de pensioenvoorziening, hetgeen naar hun oordeel nu niet het geval is. Zij laten het er niet bij zitten en stappen naar de rechter en procederen door tot aan de Hoge Raad. De pensioengerechtigden vorderen dat de fusie ongedaan gemaakt wordt, althans dat er voorzieningen worden getroffen waardoor zij in dezelfde positie komen te verkeren als voorafgaand aan de fusie. Bij de rechtbank en het hof worden de pensioengerechtigden in het ongelijk gesteld. Ook de Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep.
Feiten
Eisers tot cassatie (“Eisers”) zijn pensioengerechtigd en zijn aangesloten bij Optas Pensioenen N.V. (“Optas”). Aegon Levensverzekering N.V. (“Aegon”) heeft in 2018 gevraagd aan De Nederlandsche Bank (“DNB”) om in te stemmen met een juridische fusie met Optas. Vervolgens hebben Optas en Aegon een voorstel tot fusie neergelegd bij het handelsregister. Eén van de Eisers heeft verzet aangetekend tegen de fusie, maar dit werd door rechtbank Den Haag afgewezen. Begin 2019 heeft de DNB ingestemd met de fusie. Hiertegen hebben Eisers bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Uiteindelijk zijn Optas en Aegon na iets meer dan een maand na de instemming van de DNB gefuseerd.
Volgens de op 15 mei 2019 gedeponeerde jaarrekening van Optas bedroeg haar eigen vermogen bijna € 2,5 miljoen op 31 december 2018. Na de fusie is het eigen vermogen van Optas door Aegon aangemerkt als vrij uitkeerbare reserve.
In februari 2023 heeft uiteindelijk de rechtbank Rotterdam het besluit van de DNB tot instemming met de fusie tussen Optas en Aegon vernietigd en is het instemmingsbesluit herroepen.
In eerste aanleg en in hoger beroep vorderen Eisers van Aegon dat de fusie ongedaan gemaakt wordt, althans dat er voorzieningen worden getroffen die Eisers in dezelfde positie brengen als in de situatie voorafgaand aan de fusie. In beide zaken heeft zowel de rechtbank als het hof de vorderingen van Eisers afgewezen. Eisers gaan in cassatie.
Oordeel Hoge Raad
De cassatieklachten stoelen op dezelfde juridische grondslagen als bij de rechtbank en het hof. De Hoge Raad vat de klachten samen in twee vragen. De twee hoofdvragen die de Hoge Raad in cassatie moet beantwoorden zijn:
-
hebben Eisers aanspraak op de winst en reserves van Optas, en
-
wat zijn de gevolgen van het ontbreken van instemming van de DNB met de fusie?
De Hoge Raad gaat eerst in op de aanspraak op de winst en reserves van Optas. Het hof oordeelt dat het op de weg van Eisers lag om toe te lichten waarom het vervallen van statutaire bepalingen door de fusie afbreuk doet aan de pensioenaanspraken van Eisers, aangezien Eisers hun aanspraken jegens Optas ook ten gelden kunnen maken tegen Aegon. Naar het oordeel van de Hoge Raad geeft dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het hof oordeelt verder dat het enkele vervallen van statutaire bepalingen – zonder dat kan worden vastgesteld dat dit afbreuk doet aan de pensioenaanspraken van Eisers – niet kan worden aangemerkt als een inbreuk op een eigendomsrecht van Eisers in de zin van art. 1 EP of art. 17 Handvest EU. Als van eigendom in de zin van die bepalingen al sprake zou zijn en als Eisers een beroep op die bepalingen zou toekomen – hetgeen de rechtbank en het hof hebben afgewezen – dan nog geeft naar het oordeel van de Hoge Raad dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de gevolgen van het ontbreken van instemming van de DNB met de fusie. Naar het oordeel van het hof heeft het herroepen van het instemmingsbesluit en het niet nemen van een nieuw instemmingsbesluit, niet tot gevolg dat de fusie nietig of vernietigbaar is. Het hof heeft bij dit oordeel art. 1:23 lid 1 Wet op het financieel toezicht (“Wft”) betrokken, inhoudende dat de rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling die is verricht in strijd met de bij of krachtens de Wft gestelde regels, niet uit dien hoofde aantastbaar is, behalve voor zover in deze wet anders is bepaald. Hierbij gebruikt de Hoge Raad ook de parlementaire geschiedenis. Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat ingevolge artikel 2:323 lid 2 slot BW een fusie geldig is zolang de rechter de fusie niet heeft vernietigd. Dit dient immers het belang van rechtszekerheid op de financiële markten, aldus de parlementaire geschiedenis.
Ook de klacht die stelt dat het hof heeft miskend dat uit art. 3:119 lid 4 Wft, inhoudende dat overdracht van rechten en verplichtingen (slechts) kan plaatsvinden nadat DNB instemming heeft verleend en dat de overdracht dan van kracht is ten aanzien van alle betrokkenen, volgt niet dat in de Wft ‘anders is bepaald’ als bedoeld in art. 1:23 lid 1 Wft. Deze klacht faalt eveneens.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden en worden afgedaan met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.
M. Roetman, november 2025
Details:
ECLI: ECLI:NL:HR:2025:1544
Gerecht: Hoge Raad
Datum uitspraak: 10 oktober 2025