In deze zaak had het college van burgemeester en wethouders van Zouterwoude eiser bij brief van 6 juni 1990 medegedeeld dat het er in beginsel – behoudens instemming van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten – mee instemde dat een voormalige dienstwoning zou worden vergroot en dat het deze dienstwoning met de bestemming ‘woondoeleinden’ zou opnemen in het ontwerpbestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’.
Het college is (later) echter vergeten de woning met de bestemming ‘woondoeleinden’ op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan, dat in 1992 is vastgesteld. Eiser heeft vervolgens (onder meer) schadevergoeding van de gemeente gevorderd, omdat (het college van) de gemeente de bij brief van 6 juni 1990 gedane toezegging de woning met de bestemming ‘woondoeleinden’ op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan niet was nagekomen.
Het Hof Den Haag had deze vordering ten eerste afgewezen, omdat eiser tegen het vastgestelde bestemmingsplan geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen had aangewend. Dat bracht volgens het Hof met zich dat het besluit tot vaststelling daarvan geacht moest worden naar zijn inhoud en wijze van totstandkoming jegens hem rechtmatig te zijn (leerstuk van de formele rechtskracht). De Hoge Raad acht de tegen dit oordeel gerichte cassatieklacht gegrond. De grondslag van de vordering van eiser betrof volgens de Hoge Raad namelijk enkel de niet-nakoming van de genoemde toezegging door het college, welke niet-nakoming tot gevolg had gehad dat de kans was weggenomen of verminderd dat de woning in het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘woondoeleinden’ zou krijgen. De beoordeling van de vordering op deze grondslag vergde, zo oordeelde de Hoge Raad, geen beslissing over de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. De op die grondslag berustende vordering tot vergoeding van de door deze kansontneming of -vermindering geleden schade stuitte dan ook niet af op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.
Het Hof Den Haag had de vordering bovendien afgewezen wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causale verband. Als het college de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan had opgenomen, was dat volgens het Hof namelijk nog geen garantie geweest voor de doorgang van de plannen van eiser. In dit verband had het er (in de kern) op gewezen dat de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid hadden gehad om uiteindelijk in het bestemmingsplan geen woonbestemming toe te kennen en dat niet met een voldoende mate van zekerheid viel vast te stellen dat zij zouden hebben ingestemd met de woonbestemming. Ook de tegen dit oordeel gerichte cassatieklacht acht de Hoge Raad gegrond. Eiser betoogde volgens de Hoge Raad terecht dat de schade waarvan hij vergoeding vorderde, bestond in een gemiste kans op verwezenlijking van zijn plannen, en dat het onzekere antwoord op de vraag of het bestemmingsplan destijds met inbegrip van de woonbestemming voor zijn dienstwoning tot stand zou zijn gekomen tot uitdrukking diende te komen in de bepaling van de grootte van die kans, derhalve in de schadeberekening. Naar het oordeel van de Hoge Raad was in het onderhavige geval onmiskenbaar sprake van condicio sine qua non-verband tussen de niet-nakoming en de gemiste kans. Indien geen grond bestond om op voorhand ervan uit te gaan dat die kans nihil of zeer klein was, diende de schade zo nodig bij wijze van schatting te worden bepaald.