Contact opnemen
17 maart 2016

Kantonrechters wijzen ontslagverzoeken vaker af

De Wet werk en zekerheid (WWZ) is acht maanden na de invoering veel in het nieuws. Deze wet was bedoeld om het ontslagrecht eenvoudiger, sneller, rechtvaardiger en goedkoper te maken, maar tot nu toe lijkt de per 1 juli 2015 ingevoerde wet juist een averechts effect te hebben.

Zo lijkt het midden- en kleinbedrijf terughoudender te zijn geworden in het aannemen van nieuwe werknemers vanwege de strengere ontslagregels. De doelstellingen van de WWZ lijken niet te worden gehaald. Er is daarom vanuit de praktijk, waaronder rechters, advocaten en politici, veel kritiek op deze nieuwe wet.

Strengere ontslagregels

Sinds de invoering van de WWZ wijzen kantonrechters meer ontbindingsverzoeken van werkgevers af. De rechter is door de WWZ gebonden aan een waslijst van criteria bij de beoordeling van een verzoek van een werkgever om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die criteria zijn veel gedetailleerder dan onder de oude wet. Daar zijn werkgevers en werknemers niet bij gebaat.

Onder de oude wet kon de rechter een hogere vergoeding toekennen als de werkgever bijvoorbeeld te kort was geschoten in zijn plicht om een disfunctionerende werknemer te begeleiden. Ook al was in zo’n geval onvoldoende dossier opgebouwd, de rechter zag soms toch aanleiding om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, omdat vaak ook sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Op die manier kon de rechter alsnog een billijke oplossing bereiken.

Onder de WWZ kan de rechter echter niet tot beëindiging overgaan als de werkgever onvoldoende dossier heeft opgebouwd voor de onderbouwing van zijn verzoek. De WWZ biedt wat dat betreft veel minder vrijheid voor rechters om maatwerk te leveren. Een hogere vergoeding mag alleen worden toegekend bij ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en daarvan is in de praktijk niet snel sprake.

Transitievergoeding

De uitkomst van een gang naar de kantonrechter is onder de nieuwe wet onduidelijker dan voorheen. Het gevolg daarvan is dat werkgevers en werknemers vaker schikken en een ontslagvergoeding overeenkomen die hoger is dan de in de wet opgenomen transitievergoeding. Bovendien wordt de transitievergoeding nu niet gebruikt waarvoor deze vergoeding oorspronkelijk bedoeld is, namelijk voor scholing. De werknemer mag zelf bepalen waaraan de transitievergoeding besteed wordt en kan bijvoorbeeld ook een auto kopen.

Een ander veelgehoord kritiekpunt is dat de WWZ gunstiger uitvalt voor grotere bedrijven dan voor het midden- en kleinbedrijf. Het midden- en kleinbedrijf kon onder de oude regels relatief eenvoudig en vaak zonder een vergoeding te moeten betalen een ontslagvergunning van het UWV krijgen. Dat is nu zowel moeilijker als duurder geworden.

Onder het oude recht konden werknemers na drie jaar doorstromen naar een vaste baan; onder het nieuwe recht is dit na twee jaar. De bedoeling van de wetgever is dat werknemers eerder een vast contract krijgen, maar in de praktijk werkt dit averechts. Werknemers verliezen nu na twee jaar al hun baan in plaats van na drie jaar. Dit is met name een probleem in sectoren waar veel met seizoen werkers wordt gewerkt, zoals de tuinbouw, de recreatiesector en de horeca. Aan werknemerszijde is de kritiek dat het recht op de transitievergoeding pas na twee jaar ingaat, waardoor het voor werkgevers goedkoper is om werknemers niet te laten doorstromen naar een vaste baan.

Wordt vervolgd

Asscher heeft inmiddels een verkenner aangesteld om het probleem met de seizoen werkers te onderzoeken. Het is de bedoeling dat dit probleem vóór 1 mei 2016 is opgelost. Verder roept Asscher tegenstanders van de WWZ op om met voorstellen te komen, die nog deze kabinetsperiode kunnen worden uitgewerkt. Wordt dus vervolgd.

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.