Een minderheidsaandeelhouder heeft 15% van de aandelen in een Holding BV. De enig ander aandeelhouder heeft de overige 85% de aandelen. Uit de conceptjaarcijfers volgt dat er al jarenlang positieve resultaten worden behaald. Het eigen vermogen bedraagt ruim 1 miljoen euro, de BV heeft geen vreemd vermogen en de liquide middelen bedragen beiden ruim € 500.000,-. De minderheidsaandeelhouder heeft een schuld aan de Holding BV. De minderheidsaandeelhouder erkent dat hij die schuld moet betalen maar stelt dat de Holding ten onrechte de betaling claimt omdat de Holding BV met een adequaat dividendbeleid en een uit te keren dividend aan de aandeelhouders, waaronder de minderheidsaandeelhouder, de openstaande vordering kan verrekenen.
De minderheidsaandeelhouder meent dat de Holding BV nalaat een bij de winsten passend dividend uit te keren. In artikel 2:8 BW is geregeld dat een rechtspersoon en degene die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Het betreft een gedragsregel die wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval.
Oordeel
In deze casus stelde de rechtbank Overijssel in zijn vonnis van 13 juli 2016 voorop dat de algemene vergadering van aandeelhouders bij het nemen van het besluit tot winstbestemming de redelijkheid en billijkheid in het oog dienen te houden. Het belang van een (minderheids)aandeelhouder bij uitkering van dividend dient zorgvuldig te worden afgewogen tegen het belang van de vennootschap en de wens van de andere aandeelhouder om de winst (geheel of gedeeltelijk) aan de reserves toe te voegen. Van deze belangenafweging was in casu niet gebleken. Het is bestendige rechtspraak dat de vennootschap bij het voeren van haar dividendbeleid rekening dient te houden met niet alleen haar eigen belang maar ook dat van alle bij haar betrokkenen, waaronder de minderheidsaandeelhouder. Het vonnis van de rechtbank ligt derhalve in de lijn met de geldende jurisprudentie.
Jurisprudentie
In het bekende Sluis-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat van gegronde redenen om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen – een en ander in de zin van art. 2:350 lid 1 BW – onder omstandigheden niet alleen sprake isindien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het belang van de vennootschap zulks rechtvaardigt, geen of een in verhouding tot de winst slechts gering dividend uitkeert, doch tevens indien de vennootschap op grond van een statutaire bepaling gedurende een reeks van jaren de door haar gemaakte winsten niet of slechts in geringe mate bij wege van dividend aan de aandeelhouders uitkeert zonder dat zulks (nog langer) door het vennootschappelijke belang gerechtvaardigd wordt, en zij niet aan wijziging van die statutaire bepaling wenst mede te werken (HR 9 juli 1990, NJ 1991/51 (een HR-beschikking in cassatie op de beschikking van de Ondernemingskamer).
In het voetspoor van de Hoge Raad heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in haar arrest van 6 juni 2011 overwogen dat aandeelhouders in beginsel zonder meer recht hebben op uitkering van de in een boekjaar gerealiseerde winst en dat de winst in beginsel aan de aandeelhouders dient te worden uitgekeerd, tenzij het vennootschappelijk belang vereist dat tot (gehele of gedeeltelijke) reservering van de winst wordt overgegaan, waarbij het gedurende onbepaalde tijd handhaven van een beleid waarbij alle winst wordt gereserveerd in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn (ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9757, ‘Jeezet’).
Kort samenvattend komt het er op neer dat de winst van een vennootschap in beginsel jaarlijks uitgekeerd behoort te worden en slechts mag worden gereserveerd na een zorgvuldige afweging van enerzijds het belang van de minderheidsaandeelhouder bij uitkering en anderzijds het belang van de vennootschap bij reservering, terwijl het dividendbeleid kenbaar en gemotiveerd moet zijn.
Praktische handvatten voor de minderheidsaandeelhouder
Wat zijn nu de mogelijkheden als minderheidsaandeelhouder om af te dwingen dat er een redelijk dividend moet worden uitgekeerd? Wanneer de minderheidsaandeelhouder zich in een dergelijke positie geplaatst vindt bestaan een drietal mogelijkheden om toch een dividenduitkering te bewerkstelligen:
- Vernietiging vorderen van het besluit tot het reserveren van de winst c.q. het niet uitkeren van dividend ex artikel 2:15 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek
In het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (JOR 2013/301) werd geoordeeld dat een dergelijk besluit vernietigd worden als de totstandkoming in het licht van het statutair voorgeschreven overleg niet deugdelijk is geweest vanwege het feit dat daarbij niet het belang van de minderheidsaandeelhouder bij een redelijk dividend niet aan de orde is gekomen en/of ook voor het overigens onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend. Een besluit tot reservering van de winst kan ook in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek. Ook in dat geval is de sanctie vernietigbaarheid ex artikel 2:15 lid 1 sub b BW. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van haar aandeelhouders en dat bij de uitwerking van deze zorgvuldigheidspicht onder meer in aanmerking wordt genomen dat sprake is van minderheidsaandeelhouders en meerderheidsaandeelhouders. De toetsing hiervan is echter marginaal. Uit jurisprudentie volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen wordt aangenomen dat een besluit tot winstreservering strijdig is met de redelijkheid en billijkheid die jegens de minderheid in acht moet worden genomen.
- Het opstarten van een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam ex artikel; 2:345 BW
In het enquêteverzoek kan worden verzocht de zorgvuldigheid van het besluit af te wegen en te toetsen of er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan de juistheid van het dividendbeleid. De Ondernemingskamer heeft een aantal keren uitspraak gedaan in dergelijke kwesties en haar uitspraken liggen in lijn met die van de Hoge Raad in zake het arrest Sluis (HR 9 juli 1990, NJ 1991, 51) hiervoor besproken.
- Het aanhangig maken van een kort geding
In een kort geding wordt gevorderd dat er een reëel dividendbeleid wordt vastgesteld en gevoerd. De drempel voor het vereiste spoedeisend belang is in de praktijk niet zo hoog en behoeft dus geen beletsel te zijn. Dit blijkt onder meer uit het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:2191). Tevens kan in kort geding worden gevorderd dat er een bevel tot het betaalbar stellen van een voorschot op het naar verwachting door de bodemrechter toe te wijzen dividendbedrag wordt toegewezen.
Voor meer informatie over dividenduitkering bij minderheidsaandeelhouder(s) kunt u contact opnemen met onze sectie Ondernemingsrecht, in het bijzonder mr. C.P.B. (Caston) Kroep.