Contact opnemen
03 januari 2017

HR: voorwaardelijke ontbinding na ontslag op staande voet nog steeds mogelijk onder de WWZ

Damsté (mr. P. Kuipers, cassatieadvocaat) trad bij de Hoge Raad op voor de werkgever in deze prejudiciële procedure, waarin de Kantonrechter aan de Hoge Raad de vraag stelde of werkgevers onder de op 1 juli 2015 in werking getreden WWZ nog wel voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst kunnen verzoeken, nadat een werknemer op staande voet is ontslagen en deze dat ontslag in rechte aanvecht. Over die vraag bestond grote onduidelijkheid (en onenigheid in literatuur en onder kantonrechters) nu de wetgever bij de totstandkoming van de WWZ geen enkele aandacht aan deze, voor de praktijk zo belangrijke kwestie had besteed.

In zijn uitspraak HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Stichting Mediant/[werknemer]) oordeelt de Hoge Raad dat ook onder de WWZ de werkgever nog altijd voorwaardelijke ontbinding kan vragen. Wel is de voorwaarde beperkter dan voorheen: de werkgever kan slechts ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken voor het geval de rechter van diezelfde aanleg (dat is in eerste aanleg de kantonrechter en in hoger beroep het hof) zal oordelen dat ontslagaanzegging in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd was.

Enerzijds mogen kantonrechters dan ook niet vooruitlopen op een oordeel van het hof, waar dat eventueel in appel herstel van de arbeidsovereenkomst zou willen bevelen; rechters kunnen slechts ontbinding uitspreken onder voorwaarde dat zij zelf (of een andere rechter van dezelfde aanleg, als onverhoopt geen gebruik is gemaakt van art. 285 Rv; waarover HR rov. 3.10) tot het oordeel komen dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was. Als het ontslag volgens de kantonrechter gerechtvaardigd was, is die voorwaarde niet vervuld en kan de kantonrechter niet voor de zekerheid (vooruitlopend op hoger beroep) ook ontbinding uitspreken. Als hij eerder in de procedure al de ontbinding uitsprak, was ook die ontbinding onderworpen aan dezelfde voorwaarde en komt ook die ontbinding geen effect meer toe als de kantonrechter het ontslag geldig verleend acht.

Anderzijds moet (ook) het hof de zaak in hoger beroep in volle omvang beoordelen. De Hoge Raad formuleert dat laatste zo (rov. 3.13.1): “dat de in hoger beroep over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en/of de vernietiging van het op staande voet gegeven ontslag oordelende rechter, binnen de door de wet gestelde grenzen, vrij is om de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar opnieuw vast te stellen. De appel- of verwijzingsrechter dient zijn in art. 7:683 lid 3 BW gegeven bevoegdheid om (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen, in volle omvang te kunnen uitoefenen met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing relevante feiten en omstandigheden van het geval.”

Teneinde de appelrechter daadwerkelijk in staat te stellen om zijn door de Hoge Raad bedoelde bevoegdheid in volle omvang uit te oefenen, is het naar onze mening wel nodig (althans verdient het sterk aanbeveling) dat de werkgever die de ontslagzaak heeft gewonnen, met als consequentie dat de door hem gevraagde ontbinding wordt afgewezen en/of zonder effect blijft, van die ontbindingsbeslissing (incidenteel) hoger beroep instelt. Dit om te voorkomen dat een afwijzende ontbindingsbeslissing van de kantonrechter in kracht van gewijsde gaat in de situatie waarin de werknemer van de uitspraak in de ontslagzaak (later) wel hoger beroep instelt. Of de aan het hof gegeven bevoegdheid van art. 7:683 lid 3 BW dat (gezag van) gewijsde kan doorbreken, lijkt ons zeer de vraag, nu de Hoge Raad ook zelf ‘de door de wet gestelde grenzen’ benadrukt.

De Hoge Raad bepaalt verder dat het wenselijk is dat de rechter (zowel die in eerste aanleg, als die in hoger beroep) het verzoek van de werknemer tot vernietiging (en in appel tot ‘ongedaanmaking’) van het hem verleende ontslag en het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van de werkgever, zoveel mogelijk gelijktijdig en gevoegd behandelt en beslist en slechts in uitzonderingsgevallen de zaken splitst. Aldus kunnen alle feiten en omstandigheden in samenhang worden beoordeeld. Dat geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In feite past de Hoge Raad hier de aloude benadering toe die wij sinds jaar en dag kennen uit dagvaardingszaken, waarin over en weer eisen in conventie en in reconventie zijn ingesteld. Veelal zal de rechter ook dan gelijktijdig uitspraak doen in de conventie en de reconventie om potentieel tegenstrijdig uitkomsten te voorkomen en omdat hij vaak pas nadat het debat over de vorderingen over en weer voltooid is, het gehele geschil goed kan overzien.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de wettelijke bewijsregels in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn in ontbindingsprocedures. Als de rechter echter, na afweging van de belangen van beide partijen, aanleiding ziet om in de ontbindingsprocedure eerder te oordelen dan in de ontslagprocedure, is hij bevoegd om de wettelijke bewijsregels buiten toepassing te laten, maar hij moet dat oordeel wel motiveren (HR rov. 3.19).

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.