De Hoge Raad heeft afgelopen vrijdag antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de rechtbank Limburg eerder dit jaar stelde over het slapende dienstverband.
In lijn met het advies van advocaat-generaal De Bock oordeelt de Hoge Raad dat een werkgever in beginsel verplicht is om op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een slapend dienstverband te beëindigen onder betaling van de wettelijke transitievergoeding. Werkgevers mogen het dienstverband van langdurig zieke werknemers dus niet langer slapend houden om zo uitbetaling van de transitievergoeding te omzeilen.
Samengevat onderbouwt de Hoge Raad zijn standpunt als volgt. De Wet compensatie transitievergoeding regelt dat werkgevers door het UWV worden gecompenseerd voor betaling van de transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. Het argument dat een werkgever op hoge kosten wordt gejaagd, gaat daarom niet meer op. Bovendien is duidelijk dat de wetgever af wil van de slapende dienstverbanden. In zijn oordeel hecht de Hoge Raad veel waarde aan het principe van goed werkgeverschap. Volgens de Hoge Raad brengt de compensatieregeling mee dat een slapend dienstverband in beginsel moet worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan. Goed werkgeverschap leidt er ook toe dat in dat geval aan de werknemer een vergoeding moet worden toegekend.
Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft om de arbeidsongeschikte werknemer toch in dienst te houden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een reëel uitzicht is op re-integratie. Een dergelijk belang kan echter niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.
Met betrekking tot het voorfinancieren van de transitievergoeding(en) oordeelt de Hoge Raad tot slot als volgt. Als de werkgever aannemelijk maakt dat de voorfinanciering leidt tot ernstige financiële problemen, dan kan de rechter beslissen dat betaling aan de werknemer in termijnen plaatsvindt of wordt opgeschort tot na 1 april 2020. Echter, vanaf 1 april 2020 geldt ingevolge artikel 2 van de Regeling compensatie transitievergoeding dat voor een aanvraag op grond van de Wet compensatie transitievergoeding is vereist dat de volledige vergoeding aan de werknemer is voldaan. Dit verplicht de werkgever dus tot voorfinanciering.
De Hoge Raad maakt met deze uitspraak een einde aan een discussie die al jaren gaande is.