Contact opnemen
15 mei 2018

Hof van Justitie van de EU verschaft duidelijkheid over Dienstenrichtlijn

In een arrest van 30 januari 2018 (ECLI:EU:C:2018:44) heeft de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123/EG) op bestemmingsplannen beantwoord. Recent is het commentaar (annotatie) van Dirk Sanderink bij dit arrest verschenen in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB 2018/60).

Dienstenrichtlijn is van toepassing op detailhandel en zuiver interne situaties

In dit arrest oordeelt het HvJEU dat detailhandel in goederen voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn een ‘dienst’ vormt. Deze richtlijn is daarom van toepassing op detailhandel in goederen. Het HvJEU bepaalt in dit arrest bovendien dat de bepalingen van hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn, die gaan over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, mede van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen. Die bepalingen zijn derhalve ook van toepassing, als geen sprake is van een grensoverschrijdende situatie (economisch verkeer tussen lidstaten).

Dienstenrichtlijn kan van toepassing zijn op bestemmingsplannen

Het HvJEU oordeelt tot slot dat de voorschriften van het gewraakte bestemmingsplan, die niet-volumineuze detailhandel buiten het stadscentrum van Appingedam verbieden, als specifiek doel hebben om de geografische zones aan te wijzen waar bepaalde activiteiten in verband met detailhandel zich kunnen vestigen. De voorschriften van het gewraakte bestemmingsplan moeten naar het oordeel van het HvJEU daarom worden getoetst aan art. 15 Dienstenrichtlijn, omdat zij de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk stellen van een territoriale beperking in de zin van art. 15 lid 2 aanhef en onder a Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn staat er volgens het HvJEU niet aan in de weg dat de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk wordt gesteld van de inachtneming van een dergelijke territoriale beperking, mits de in art. 15 lid 3 Dienstenrichtlijn genoemde voorwaarden inzake non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid vervuld zijn.

In zijn commentaar bespreekt Dirk Sanderink het arrest van het HvJEU en hij gaat daarbij ook in op de betekenis van het arrest voor de bestemmingsplanpraktijk.

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.