Contact opnemen
18 maart 2016

Hof van Justitie oordeelt over relativiteitsvereiste en grondentrechter

Op 15 oktober 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) een arrest gewezen dat voor het bestuursprocesrecht belangrijk is. Het arrest gaat over de uitleg van art. 11 van richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling en art. 25 van richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies. 

Het HvJEU oordeelt in dit arrest dat het relativiteitsvereiste in het Duitse bestuursprocesrecht niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter in de zin van die richtlijnbepalingen. Daarnaast oordeelt het over twee bepalingen in het Duitse bestuursprocesrecht die een beperking bevatten van de beroepsgronden die in het kader van beroepen bij de rechter kunnen worden aangevoerd. Volgens die bepalingen kunnen alleen die gronden in de gerechtelijke procedure worden aangevoerd die voordien gedurende de bestuurlijke procedure ook reeds zijn aangevoerd. Het HvJEU oordeelt dat deze beperking in strijd is met art. 11 van richtlijn 2011/92/EU en art. 25 van richtlijn 2010/75/EU.

Dirk Sanderink, advocaat bestuursrecht, heeft een annotatie bij dit arrest geschreven in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB 2016/35). Hij analyseert daarin wat dit arrest betekent voor het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de in de Nederlandse bestuursrechtspraak gehanteerde grondentrechters. Ook onderzoekt hij of het oordeel van het HvJEU over genoemde richtlijnbepalingen ook geldt voor het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat wordt gewaarborgd door art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.