Anders geformuleerd. Indien de aanvrager van een vergunning geen criminele antecedenten heeft, mag de burgemeester dan een vergunning weigeren omdat de verhuurder crimineel is? Op 29 maart 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een baanbrekende uitspraak gedaan in een Bibob-zaak. De Afdeling heeft geoordeeld dat de burgemeester van de gemeente Deventer terecht en op goede gronden een vergunning heeft geweigerd aan een bedrijf dat zelf geen criminele antecedenten heeft maar wel een zakelijk samenwerkingsverband heeft met iemand met een strafrechtelijk verleden. Het gaat hier om een nieuwe rechtsontwikkeling met verstrekkende gevolgen voor de praktijk en waar diverse gemeenten op zaten te wachten.
Achtergrond
Deze zaak vindt zijn oorsprong in een advies van het landelijke bureau Bibob en een advies van het RIEC. Daaruit volgt dat de eigenaar van diverse prostitutiepanden is veroordeeld voor fraude, valsheid in geschrifte, geweldsdelicten en handelen in strijd met Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Ook is die persoon veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan fiscale fraude, herhaaldelijk gepleegd. Om deelname van deze persoon te verhullen is een juridische constructie bedacht, waarbij de formele eigendom van de prostitutiepanden aan een stichting is overgedragen. Die stichting heeft zich vervolgens als nieuwe eigenaar en verhuurder van de panden gepresenteerd en heeft met de aanvrager van de vergunning een huurovereenkomst gesloten, terwijl de stichting feitelijk niets over de panden te zeggen had. De zeggenschap over de panden bleef bij de oorspronkelijke eigenaar, evenals het genot van de huurpenningen ten bedrage van € 576.000,-- per jaar. Die informatie was echter niet openbaar, waardoor het voor de buitenwereld erop leek dat het hier ging om een normale verhouding tussen een aanvrager van een vergunning en een stichting, die overigens geen van beiden criminele antecenten hadden. De aanvrager stelde zich bovendien op het standpunt dat hij geen partij is in de rechtsverhouding tussen de voormalige pandeigenaar en de stichting. De aanvrager heeft betoogd dat hij slechts een marktconforme huurovereenkomst heeft gesloten met de stichting en als beoogde exploitant verder niets te maken had met de voormalige eigenaar.
Oordeel Afdeling
De Afdeling heeft de burgemeester echter gevolgd in zijn redenering dat hier sprake is van een schijnconstructie, waarbij enkel en alleen de belangen van de voormalige pandeigenaar worden gediend. Gelet hierop heeft de Afdeling geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde exploitatievergunningen mede zullen worden gebruikt om voordeel te benutten uit strafbare feiten.
Kern
Deze uitspraak leert dat een bedrijf op haar kring van personen kan worden afgerekend. Het argument dat een partij er niets aan kan doen dat haar zakenpartner een crimineel is, kan haar niet baten. Dat risico ligt niet bij de burgemeester maar bij die partij zelf. De burgemeester hoeft niet ongewild en/of indirect criminele activiteiten te faciliteren middels een vergunningverlening.
De burgemeester is in deze zaak bijgestaan door mr. M. (Mousa) Ichoh, specialist op het gebied van Vergunningen, Openbare Orde en Veiligheid en Toezicht en Handhaving.
U kunt de uitspraak van de Afdeling hier lezen.