Contact opnemen
06 september 2018

Drugsafval en handhaving

De laatste jaren is dumpen van drugsafval steeds meer in het nieuws. Criminelen dumpen het afval in bospercelen, sloten of langs wegen. De gemeenten staan vervolgens voor de opdracht om het afval veilig op te ruimen. Meestal zijn de criminelen die hiervoor verantwoordelijk zijn niet te traceren. Maar hoe zit dat als dat wel het geval is? Hebben gemeenten dan middelen om de kosten op de criminelen te verhalen? In dit artikel ga ik op één van die mogelijkheden in aan de hand van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2018.

De casus

In deze zaak speelde het volgende. Op een erf van een voormalige boerderij wordt in een schuur een amfetaminelaboratorium ontdekt. Op het moment dat de politie binnenvalt, zijn twee mannen bezig met de productie. Ze worden ter plaatse aangehouden. Beiden worden ook strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld. Het blijkt dat het afval dat bij de productie van de drugs vrijkomt, via een slang en een pomp naar buiten wordt gepompt en in het achter de schuur gelegen bosperceel wordt geloosd.

Het college van de gemeente besluit de twee mannen met een last onder bestuursdwang aan te schrijven tot het laten uitvoeren van een bodemonderzoek. Aan de last wordt overtreding van artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb) ten grondslag gelegd. Eenvoudig gezegd is volgens dit artikel iedereen die de bodem verontreinigd en die zich daarvan bewust is of daarvan bewust moet zijn verplicht alle maatregelen te nemen om die verontreiniging te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Als de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, moeten de maatregelen onmiddellijk worden genomen.

Het verweer

Bij de Afdeling voert één van de overtreders aan dat hij geen handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft verricht, zodat het college hem ten onrechte heeft aangemerkt als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Hij voert in dat verband aan dat niet hij, maar een ander feitelijk verantwoordelijk is voor het lozen van het drugsafval. Volgens hem had hij hiervan geen wetenschap, zodat dit lozen hem niet kan worden toegerekend.

Het oordeel

De Afdeling is niet van zijn verweer onder de indruk. De Afdeling overweegt dat niet alleen de uiteindelijke lozing in de bodem van verontreinigende stoffen vanuit het amfetaminelaboratorium, maar ook het in werking hebben van het laboratorium zelf kan worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming. In dit geval staat immers vast dat het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium als direct gevolg heeft gehad dat verontreinigende stoffen in de bodem zijn gebracht. Het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium kan, gelet daarop, worden aangemerkt als een handeling waarbij als nevengevolg stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten op of in de bodem zijn geraakt en daarmee als een handeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Nu de overtreder actief betrokken is geweest bij het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium, heeft hij die handeling (mede) verricht. Hij kon verder redelijkerwijs vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Het college heeft zich dan ook in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat hij wist of hoorde te weten dat bij een amfetaminelaboratorium stoffen vrijkomen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten.

Gelet op het voorgaande rustte ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming op de overtreder onder meer de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om verontreiniging of aantasting van de bodem door het in werking zijn van het amfetaminelaboratorium te voorkomen. Vaststaat dat hij aan deze preventieplicht niet heeft voldaan, nu hij niets heeft gedaan ter voorkoming van de lozing die vanuit het amfetaminelaboratorium heeft plaatsgevonden. Zijn stelling dat hij feitelijk niet betrokken is geweest bij de lozing en daarvan ook niet wist, doet niet ter zake, nu hij met die stelling de op hem rustende preventieplicht miskent.

Conclusie

Met de uitspraak wordt duidelijk dat de enkele (actieve) betrokkenheid bij een amfetaminelaboratorium voldoende is om overtreding van artikel 13 Wbb aan een last onder bestuursdwang of dwangsom ten grondslag te leggen. Criminelen die zich ophouden met de productie van drugs komen dus niet meer weg met een verweer waarbij zij stellen niet zelf de bodem te hebben verontreinigd en daar ook geen weet van te hebben gehad. Het is vrijwel een feit van algemene bekendheid dat bij de productie van drugs afval vrijkomt en dat dat afval wordt gedumpt. Drugscriminelen bieden het immers niet aan bij de gemeentelijke milieustraat of een erkende verwerker.

Het lijkt erop dat de Afdeling zich dat ook realiseert en daarom tot de conclusie komt dat ook het in werking hebben van het laboratorium zelf kan worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming. Dat maakt het voor gemeenten makkelijker om via artikel 13 Wbb drugscriminelen aan te schrijven en te laten opdraaien voor de kosten van de bodemonderzoeken en de sanering.

Overigens is artikel 13 Wbb niet het enige artikel dat aan een aanschrijving ten grondslag kan worden gelegd. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval bieden de zorgplichtbepalingen uit de Woningwet of de Wet milieubeheer ook uitkomst.

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.