In een echtscheidingsprocedure, maar vooral daarna, is de kans groot dat bijvoorbeeld een bank of een makelaar ‘het’ convenant opvraagt bij partijen. Niet iedere echtscheiding eindigt met een convenant. Er zijn ook zaken waarbij de rechtbank uiteindelijk de verdeling of verrekening vaststelt, dan is er geen convenant. Desondanks lijkt een convenant vaak het toverwoord bij een echtscheiding. Maar wat is een convenant nu precies?
Het echtscheidingsconvenant
Het woord convenant betekent volgens de Van Dale een overeenkomst. Juridisch gezien is een convenant echter meer dan een gewone overeenkomst. In een convenant wordt vaak ter beëindiging van onzekerheid en/of geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Recent heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch nogmaals uitgelegd hoe een convenant juridisch geduid moet worden en wat de (bewijs)kracht er van is.
De casus
In de casus twisten twee ex-echtgenoten over een bepaling in het convenant. In het convenant is bepaald dat zowel aan mevrouw als aan meneer de saldi van de op zijn/haar naam staande bankrekening wordt toegedeeld, zonder enige verrekening. Enkele jaren later stelt meneer zich op het standpunt dat er een Aegon spaarrekening is waarvan hij het bestaan ten tijde van de echtscheiding niet wist en dat deze spaarrekening bewust door mevrouw aan de verdeling onttrokken was. De rekening stond op naam van de vrouw.
Uitleg hof
Het hof overwoog ten aanzien van het door partijen gesloten convenant:
“Vast staat dat partijen een echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Dit convenant moet worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst. Een vaststellingsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst in de zin van art. 6:213 BW, ook indien ingevolge het bepaalde in art. 7:901 BW voor het tot stand komen van de vaststelling geen nadere (uitvoerings)handelingen zouden zijn vereist (Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 36). Een essentiale van de vaststellingsovereenkomst is dat zij wordt gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil tussen partijen. Hiervan is in deze zaak sprake; tussen partijen was immers de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding in geschil. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand. Dit betekent derhalve dat partijen gebonden zijn aan hetgeen zij in het convenant – de vaststellingsovereenkomst – zijn overeengekomen.”
Het hof zegt dat dit voor partijen betekent dat aan ieder van hen, zonder enige verrekening, de “eigen” bankrekeningen zijn toegedeeld, welke dat ook moge zijn (de rechtbank heeft in dat verband ook onder meer overwogen dat niet gesteld en/of gebleken is dat partijen zich bij de onderhandelingen over het convenant tegenover elkaar hebben uitgelaten welke bankrekeningen er toen precies op hun naam stonden, en in hoger beroep heeft de man ook niet betoogd dat partijen wel wisten om welke bankrekeningen het ging).
De (bewijs)kracht van een convenant
Vervolgens laat het gerechtshof zich uit over de bewijskracht van het convenant. Het hof overweegt:
“Het convenant heeft bovendien de status van onderhandse akte tussen partijen. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge art. 157 lid 2 Rv. levert een authentieke of onderhandse akte, behoudens de in de bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Op grond van art. 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open. Dit tegenbewijs mag volgens art. 152 lid 1 Rv door alle middelen worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij dit bewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. De rechter mag daarbij aan ieder gebleken feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt.”
In deze zaak betekent dit concreet dat meneer tegenbewijs moest leveren van feiten en omstandigheden op grond waaruit valt af te leiden dat de in het convenant opgenomen tekst van de door partijen afgelegde verklaringen (eenieder behoudt zonder nadere verrekening zijn of haar “eigen” bankrekeningen) niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen.
Het door meneer te leveren tegenbewijs mag geslaagd worden geacht als op grond daarvan het door het convenant geleverde bewijs is ontzenuwd. Daarmee mogen niet te hoge eisen worden gesteld aan het in dit verband door de man te leveren tegenbewijs. Voor de beantwoording van de vraag of meneer in het leveren van dit tegenbewijs is geslaagd, zijn alle omstandigheden van belang.
Het hof komt uiteindelijk tot de conclusie dat meneer niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs. Meneer heeft immers zelf erkend dat de Aegon-spaarrekening moet worden beschouwd als een bankrekening. Ook acht het hof het van belang dat meneer ermee heeft ingestemd alle bankrekeningen bij de mediator “blind” te verdelen zonder daarbij een voorbehoud te maken dat bijvoorbeeld voor het geval een rekening het saldo van € 15.000,-- te boven zou gaan, deze rekening niet onder het convenant zou vallen.
Conclusie
Uit voornoemde uitspraak kan dan ook worden afgeleid dat het convenant zelf een stuk is van grote waarde, maar dat ook de totstandkoming ervan belangrijk is.
Gecertificeerde mediators maken van alle besprekingen een gespreksverslag. Daarmee wordt vastgelegd wat er allemaal besproken is tijdens de mediation en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Dit kan bij latere discussies een nadere uitleg geven aan het convenant.
Het is van belang dat het convenant wordt opgesteld door iemand met verstand van zaken. Het laten meekijken van een familierecht specialist (al dan niet als second opinion) kan dus nuttig zijn.
Voor vragen kunt u vrijblijvend contact opnemen met één van onze specialisten.