Nederland kent veel familiebedrijven. Dat arbeidsrelaties tussen familieleden bijzonder zijn, kan niet worden ontkend. Dat een arbeidsovereenkomst niet mogelijk is tussen familieleden is onjuist. Het aloude standpunt van de Centrale Raad van Beroep (hierna te noemen: ‘Raad’), dat een arbeidsrelatie tussen familieleden in beginsel niet aannemelijk is, is al enige tijd verlaten. De Raad heeft haar standpunt recent verduidelijkt. Tijd voor een update!
Hoe zat het ook alweer?
Om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.
Arbeidsovereenkomst tussen familieleden
Voorheen ging men er van uit dat tussen familieleden geen arbeidsrelatie kon bestaan omdat tussen familieleden geen gezagsverhouding mogelijk is en daarom aan een van de vereisten niet wordt voldaan.
Gezagsverhouding
Bepalend voor het bestaan van een gezagsverhouding is niet of in de praktijk opdrachten worden gegeven, maar of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen en dat werkgever bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De Raad heeft duidelijk gemaakt dat ook binnen een familie een arbeidsrelatie aan de hand van de feiten zal moeten worden beoordeeld en bekeken moet worden of sprake is van een gezagsverhouding of niet.
Centrale Raad van Beroep
Recentelijk, op 2 maart 2016, heeft de Raad haar standpunt verduidelijkt in een zaak waar het ging om twee partners die bij hun (schoon)vader in dienst waren. Nadat de BV van (schoon)vader failliet ging, wensten de partners aanspraak te maken op een faillissementsuitkering en een WW-uitkering. Het UWV probeerde hier een stokje voor te steken door te stellen dat (schoon)vader geen werkgeversgezag had over de partners en dat enkel de bevoegdheid tot het geven van instructies voortvloeide uit zijn (enig) aandeelhouderschap binnen de BV.
De Raad kon het UWV niet volgen in dit standpunt. Volgens de Raad valt niet in te zien hoe de bevoegdheid van (schoon)vader, om beide partners als werknemers van de BV opdrachten te geven, anders kan worden gezien dan in het licht van het uitoefenen van het werkgeversgezag. Volgens de Raad moeten beiden dan ook worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. De Raad voegt hieraan toe dat deze bevoegdheid ook bestaat indien in de praktijk weinig opdrachten en instructies worden gegeven. Het kan immers zo zijn dat het familielid/werknemer haar taken uitstekend uitvoert en weinig aansturing nodig heeft.
Uitkeringen
Ten slotte is het raadzaam om goed in de gaten te houden op welke manier je als ‘werknemer’ bij het UWV staat ingeschreven. Indien je als ‘meewerkend familielid’ staat ingeschreven, hoeven geen premies te worden afgedragen. Indien je als werknemer in dienst bent wel. Een zogenoemd ‘meewerkend familielid’ heeft in tegenstelling tot de reguliere werknemer géén recht op een uitkering.
De bewijslast, om als werknemer te kunnen worden aangemerkt door het UWV, ligt bij diegene die een uitkering wenst aan te vragen. Let er daarom goed op dat:
- een arbeidsovereenkomst ten grondslag ligt aan de verhouding;
- (reëel) loon wordt betaald;
- loon wordt uitbetaald op een privé rekening en niet een gezamenlijke rekening (in het geval van partners);
- er loonstroken aanwezig zijn;
- geen aandeel in het bedrijf aanwezig is;
- er sprake is van een gezagsverhouding.
Twijfelt u over de kwalificatie van arbeidsovereenkomsten binnen uw bedrijf? Of twijfelt u aan uw uitkeringsrechten? Neem dan gerust contact met ons op.