In dit artikel wordt toegelicht wanneer een ondernemer aansprakelijk is voor de schulden in de onderneming. Ook vindt u in dit artikel tips om persoonlijke aansprakelijkheid in een faillissement te voorkomen.
Voor het geval u zelf verder op onderzoek wilt gaan naar de onderwerpen die in dit artikel behandeld worden, wordt in het artikel verwezen naar de verschillende wetsartikelen. U hoeft het natuurlijk niet zelf te doen, voor vragen of overleg over de aansprakelijkheidsrisico’s in faillissement kunt u ook altijd contact opnemen met de auteur van dit artikel, mr. J.F. (Joyce) Schulte.
Aansprakelijkheid voor vorderingen
Een schuldeiser kan zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen (artikel 3:276 BW). Een schuldenaar kan een natuurlijk persoon (mens) of een rechtspersoon zijn.
Of schuldeisers ook aanspraak kunnen maken op de (persoonlijke) eigendommen van de bestuurder van een onderneming, hangt onder andere af van de vorm van de onderneming. Is de onderneming bijvoorbeeld een rechtspersoon?
Een rechtspersoon is een juridische uitvinding. In de wet is bepaald dat een rechtspersoon (voor een deel) gelijk is aan een natuurlijk persoon (artikel 2:5 BW). Zo kan een rechtspersoon bezittingen en schulden hebben. Naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen en stichtingen hebben bijvoorbeeld rechtspersoonlijkheid. Rechtspersoonlijkheid moet altijd uit de wet volgen.
Rechtspersonen kunnen bovendien, net als natuurlijke personen, failliet worden verklaard.
Wat gebeurt er bij een faillissement?
Als een (rechts-)persoon zijn schulden niet meer betaalt en meerdere schuldeisers heeft, dan verklaart de rechter dat hij in staat van faillissement verkeert, als dat gevraagd wordt door de (rechts-)persoon of één van de schuldeisers van de (rechts-)persoon (artikel 1 lid 1 Fw).
Door het faillissement verliest de failliet de zeggenschap over zijn vermogen (artikel 23 Fw). Er komt een algeheel beslag op het vermogen te liggen. De curator (onder toezicht van de rechtbank) is de enige die het vermogen van de failliet mag beheren. Dat betekent dat enkel de curator bijvoorbeeld een bedrijfspand kan verkopen of een vordering op een debiteur kan innen.
De curator handelt het vermogen van de failliet af voor de schuldeisers die door de faillietverklaring zelf hun vorderingen niet meer kunnen innen. De curator verzamelt zoveel mogelijk geld om (een deel van) de vorderingen van de schuldeisers te voldoen.
In principe wordt het vermogen van de failliet dus aangesproken voor de voldoening van de schulden van de failliet. Hierna wordt voor de eenmanszaak, de vof en de rechtspersoon behandeld wie de failliet is en welk vermogen aangesproken kan worden.
Het aan te spreken vermogen bij een eenmanszaak
In de wet is niet geregeld dat de eenmanszaak rechtspersoonlijkheid heeft. Doordat een eenmanszaak geen rechtspersoon is, vormt de ondernemer zelf de onderneming en hij bestuurt deze ook.
Alle schulden en bezittingen van de eenmanszaak zijn daardoor de schulden en bezittingen van de ondernemer. Nu de eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid heeft, kan de eenmanszaak ook niet failliet worden verklaard. Bij onbetaalde schulden van meerdere schuldeisers is het daarom de eigenaar van de eenmanszaak die failliet wordt verklaard.
De eigenaar van een eenmanszaak is dus altijd aansprakelijk voor de schulden in een faillissement.
Wie zijn aansprakelijk voor de schulden in een vof?
Ook de vof heeft geen rechtspersoonlijkheid, waardoor ook deze ondernemingsvorm zelf geen schulden of bezittingen kan hebben. Net als bij de eenmanszaak zijn het de eigenaren van de vof die de bezittingen en schulden hebben.
Alle eigenaren (vennoten) van de vof zijn aansprakelijk voor alle schulden in de vof (artikel 18 K). Let op: de eigenaren zijn aansprakelijk voor de totale schulden. Als er bijvoorbeeld twee eigenaren zijn, kan de curator alsnog kiezen om slechts één van de vennoten aan te spreken voor de volledige schuldenlast (bijvoorbeeld als de andere eigenaar geen bezittingen heeft waar de schulden op verhaald kunnen worden).
Aansprakelijkheid bij een rechtspersoon
Een rechtspersoon heeft wel rechtspersoonlijkheid. Een rechtspersoon kan daarom wel bezittingen en schulden hebben.
Doordat het bestaan van een rechtspersoon een juridisch bedenksel is, kan de rechtspersoon feitelijk niet zelf handelen. Een rechtspersoon heeft altijd vertegenwoordigers nodig. In de basis wordt een rechtspersoon vertegenwoordigd door het bestuur.
Hoewel vertegenwoordigd door het bestuur, is het de rechtspersoon die de verplichtingen aangaat. In beginsel is het daarom ook alleen de rechtspersoon die aangesproken kan worden door schuldeisers. In het geval van een faillissement is het enkel het vermogen van de rechtspersoon waar de curator het beheer over voert.
Ben ik als aandeelhouder aansprakelijk voor de schulden van de B.V.?
Aandeelhouders investeren in de B.V. Zij betalen de nominale waarde voor hun aandelen (zij storten hun aandelen vol). Als de vennootschap vervolgens failliet gaat, dan zijn de aandeelhouders het geïnvesteerde bedrag kwijt.
Soms betalen aandeelhouders echter niet direct de nominale waarde van de aandelen. Er kan afgesproken worden om de aandelen pas later vol te storten. De verplichting om de aandelen vol te storten blijft echter altijd bestaan. Voor dit bedrag kan de aandeelhouder dus ook na een faillissement aangesproken worden. Zelfs als de aandeelhouder zijn aandelen overdraagt voordat ze zijn volgestort, blijft de aandeelhouder aansprakelijk voor het daarop nog te storten bedrag (artikel 2:199 BW).
Buiten deze volstortingsplicht zijn er bijzondere omstandigheden nodig om een aandeelhouder aansprakelijk te stellen. Daar kan bijvoorbeeld sprake van zijn als de aandeelhouder zich gedroeg alsof hij bestuurder van de B.V. was. Bestuurders kunnen namelijk in sommige gevallen wel aangesproken worden voor de schulden in een rechtspersoon.
Aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon
De wet regelt op meerdere plekken de aansprakelijkheid van bestuurders.
Zo kan de bestuurder aansprakelijk zijn voor onbetaalde belastingen als hij (niet tijdig) melding doet van betalingsonmacht of als het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 36 IW).
Ook dividenduitkeringen kunnen zorgen voor aansprakelijkheid van het bestuur. Het bestuur moet namelijk goedkeuring geven voor dividenduitkeringen en mag geen goedkeuring geven als het bestuur weet, of zou moeten weten, dat de B.V. na de dividenduitkering niet door kan gaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Als het bestuur in strijd met deze voorwaarde toch goedkeuring verleent, dan zijn alle bestuurders aansprakelijk voor het tekort dat door de dividenduitkering is ontstaan (artikel 2:216 lid 3 BW).
De drie meest voorkomende bestuurdersaansprakelijkheidsgronden zijn aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW, artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW. Deze gronden worden hierna verder toegelicht.
Artikel 2:248 BW
Dit artikel is alleen van toepassing bij een faillissement en geldt alleen voor de B.V. (al bestaat voor de N.V. een vergelijkbaar wetsartikel).
Via dit artikel kan de curator de bestuurders van een B.V. aanspreken als sprake is van kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaken (artikel 2:248 lid 1 BW). Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is alleen sprake als geen redelijk denkend bestuurder, onder dezelfde omstandigheden, hetzelfde gehandeld zou hebben. Het woord kennelijk maakt duidelijk dat het bestuur bij twijfel niet aansprakelijk is. Dat is dus een hoge drempel voor de curator.
In sommige gevallen staat echter vast dat kennelijk onbehoorlijk is bestuurd (artikel 2:248 lid 2 BW). Dat is het geval als het bestuur zich niet aan de administratieplicht (artikel 2:10 BW) heeft gehouden, of als het bestuur de jaarrekening niet tijdig heeft gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel (artikel 2:394 BW). In die gevallen is het aan het bestuur om te bewijzen dat het onbehoorlijke bestuur geen belangrijke oorzaak van het faillissement was. Kan het bestuur dat niet, dan is het bestuur aansprakelijk voor het tekort in faillissement.
Om aansprakelijkheid voor het tekort in faillissement te voorkomen is het dus belangrijk om de jaarrekeningen tijdig te publiceren en om aan de administratieplicht te voldoen. Mocht dat niet gelukt zijn, of mocht de curator om een andere reden menen dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, dan is het van belang om te bewijzen dat er een andere belangrijke oorzaak voor het faillissement was.
Artikel 2:9 BW
Dit artikel regelt de aansprakelijkheid van de bestuurders tegenover de rechtspersoon. De rechtspersoon kan het bestuur aanspreken bij onbehoorlijk bestuur. Als de rechtspersoon failliet gaat, kan de curator deze vordering instellen.
Om te bepalen of sprake is van onbehoorlijk bestuur wordt gekeken of geen redelijk handelend bestuurder onder gelijke omstandigheden dezelfde handelingen zou hebben verricht. Er moet de bestuurder een ernstig verwijt treffen, daarbij wordt gekeken naar alle omstandigheden van het geval, waaronder:
- de aard van de door de vennootschap uitgeoefende activiteiten;
- de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s;
- de taakverdeling binnen het bestuur;
- de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
- de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissing of gedraging; en
- het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.
Van een ernstig verwijt is in ieder geval geen sprake bij alledaagse fouten. Het is daarentegen meestal wel ernstig verwijtbaar om te handelen in strijd met wettelijke bepalingen of bepalingen uit de statuten die de rechtspersoon moeten beschermen.
Om deze vorm van aansprakelijkheid te voorkomen is het verstandig om ook kritisch te blijven kijken naar de uitvoering van de taken door medebestuurders. Alle bestuurders zijn in beginsel namelijk aansprakelijk als er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Artikel 6:162 BW
Een bestuurder van een rechtspersoon kan ook aansprakelijk gesteld worden voor het plegen van een onrechtmatige daad. De bestuurder kan dan aangesproken worden door de partij jegens wie de bestuurder de onrechtmatige daad gepleegd heeft.
Van een onrechtmatige daad kan bijvoorbeeld sprake zijn als het voor het bestuur al duidelijk is dat er een faillissement zal volgen, maar als het bestuur de B.V. toch verplichtingen aan laat gaan, waarvan het bestuur weet dat de B.V. deze niet zal kunnen nakomen.
Het bestuur handelt in het bovenstaande geval onrechtmatig tegen de schuldeisers die door dat handelen onbetaald blijven en het bestuur is dan aansprakelijk voor de schade die deze schuldeisers daardoor lijden.
Als het bestuur onrechtmatig handelt tegenover alle schuldeisers, dan kan deze vordering ook door de curator ingesteld worden.
Wat kan een advocaat van Damsté betekenen?
De advocaten van de afdeling insolventierecht van Damsté advocaten-notarissen hebben veel ervaring met faillissementen. Ze worden bijvoorbeeld regelmatig benoemd als curator, maar staan daarnaast ook veelvuldig ondernemers bij in financiële moeilijkheden.
Wij kunnen daarom helpen bij het onderzoeken van de risico’s op bestuurdersaansprakelijkheid en het voorkomen daarvan. Ook als u vorderingen heeft op een failliete partij, kunnen wij onderzoeken of er wellicht mogelijkheden zijn om deze vorderingen op anderen, zoals de bestuurder van de failliet, te verhalen.
Als u vragen heeft over aansprakelijkheid voor schulden of hierbij hulp nodig heeft, neem dan vooral contact op met de auteur van dit artikel, mr. J.F. (Joyce) Schulte op +31 (0)53 484 00 54.