Contact opnemen
12 oktober 2023

18-weken aansluittermijn is een harde maximumtermijn

Volgens de rechtbank Oost-Brabant is de netbeheerder aansprakelijk voor schade.

Op 13 september 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant een interessant tussenvonnis gewezen ten aanzien van de wettelijke aansluittermijn voor netbeheerders. Netbeheerders zijn op grond van artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: Elektriciteitswet) verplicht om binnen een redelijke termijn, na aanvraag, een aansluiting op het elektriciteitsnet te realiseren. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend.

Het geschil

In deze zaak betrof het een geschil tussen netbeheerder Enexis en ZT Netherlands B.V. (hierna: Enexis en ZTN). ZTN is een hightechbedrijf dat servers voor dataopslag assembleert, test en levert aan grote datahotels. Op 20 mei 2020 heeft ZTN bij Enexis een aanvraag ingediend voor een aansluiting op het elektriciteitsnet ter grootte van 1750 kilovolt-ampere (kVa). De aansluiting is op 17 december 2020 door Enexis opgeleverd. De kern van het geschil betreft de vraag of Enexis ZTN tijdig heeft aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.


ZTN vindt dat Enexis haar niet tijdig heeft aangesloten, zij had namelijk op grond van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet binnen vier weken of in elk geval binnen de maximale wettelijke termijn van 18 weken ZTN moeten aansluiten. Nu dat niet is gebeurd en ZTN pas na 25 weken is aangesloten, vordert ZTN in deze procedure bij de rechtbank een schadevergoeding ter hoogte van €1.227.116,27. Deze schade bestaat uit de kosten voor noodaggregaten en brandstof voor de aggregaten die ZTN heeft gemaakt toen zij, gedurende 25 weken, niet waren aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.

Enexis stelt zich in deze procedure op het standpunt dat zij ZTN wel binnen een redelijke termijn heeft aangesloten, zij vindt dat zij niet gehouden kan worden aan de vier weken, dan wel 18 weken termijn. Laatstgenoemde maximale termijn is volgens Enexis namelijk in strijd met het Europees recht. Daarnaast doet Enexis een beroep op overmacht, redelijkheid en billijkheid en beperking van haar aansprakelijkheid.
In deze blog bespreken wij het meest verstrekkende verweer en het beroep op overmacht van Enexis. Het meest verstrekkende verweer dat Enexis aanvoert is dat de 18 weken termijn uit artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet buiten toepassing moet worden gelaten vanwege strijd met het Europese recht. Daartoe stelt Enexis primair dat artikel 59 lid 7 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 rechtstreeks doorwerkt in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet en dat deze rechtstreekse werking de 18 weken termijn opzij schuift. Artikel 59 lid 7 Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 bepaalt dat de Nationaal Regulerende Instantie (NRI), in dit geval de Autoriteit Consument en Markt (ACM), bevoegdheid hebben om de voorwaarden vast te stellen of goed te keuren voor aansluitingen op en toegang tot het net, waaronder het vaststellen van de termijn, waarbinnen de aanvrager moet worden aangesloten op het net. Daarbij voert Enexis aan dat de wetgever de 18 weken termijn niet had mogen opnemen in de wet, nu de bevoegdheid tot het vaststellen van een redelijke aansluittermijn toekomst aan de ACM.


In dit kader is door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 2 september 2021 uitspraak gedaan in een zaak over de onafhankelijkheid van de Duitse energietoezichthouder. Uit deze uitspraak volgt dat bepaalde regels op het gebied van energie niet door de wetgever mogen worden vastgesteld, maar dat dit een taak is voor de onafhankelijke NRI van de lidstaat. In Nederland is dit de ACM. De wetgever had de aansluittermijn van 18 weken niet in de wet mogen opnemen, nu dit een bevoegdheid is van de ACM. De ACM heeft na deze uitspraak van het Hof van Justitie toegezegd op korte termijn een codewijzigingstraject te starten om nieuwe, redelijke aansluittermijnen in de codes vast te leggen. Tot die tijd blijft de ACM uitgaan van de norm van een redelijke aansluittermijn in de wet (zijnde 18 weken). Deze termijn kan, zo nodig, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, nader worden vastgesteld. Op deze manier blijven individuele afnemers in de tussentijd beschermd tegen onredelijk lange aansluittermijnen. De uitspraak van het Hof van Justitie had o.a. gevolgen voor de Energiewet waar aan gewerkt werd. Op dit moment wordt in artikel 3.36 van het wetsvoorstel Energiewet enkel genoemd dat een netbeheerder een aanbod doet tot aanleg van een aansluiting binnen een redelijke termijn en binnen een redelijke termijn een aansluiting realiseert.

De rechtbank Oost-Brabant heeft vastgesteld dat artikel 59 lid 7 van de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 niet of onjuist in de Elektriciteitsrichtlijn is geïmplementeerd. De nationale wetgever had de bevoegdheid tot het vaststellen van de nadere voorwaarden aan de ACM moeten toekennen. Met andere woorden de Nederlandse wetgever was niet bevoegd om in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet, een aansluittermijn van 18 weken op te nemen. Die taak is voorbehouden aan de ACM.


Subsidiair doet Enexis een beroep op richtlijnconforme uitleg van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet op basis waarvan de 18 weken termijn tevens buiten toepassing moet worden gelaten. De wetgever heeft met het vaststellen van de maximaal redelijke termijn de bevoegdheden van de ACM doorkruist. Enexis stelt dat de rechtbank moet aansluiten bij het ontwerpbesluit van de ACM van 14 juli 2022, waarin door de ACM is overwogen dat zij voor een aansluiting als die van ZTN (1750 kVa) een termijn van 40 weken redelijk vindt.


Beoordeling beroep op richtlijnconforme uitleg

De rechtbank Oost-Brabant overweegt dat zij verplicht is om artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet zo veel mogelijk uit te leggen in overeenstemming met de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944, behalve wanneer algemene rechtsbeginselen en het contra-legem principe (uitleggen van Europees recht op een wijze die strijdig is met het nationale recht) zich hiertegen verzetten.


De rechtbank geeft aan dat de wetgever in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet geen mogelijkheid heeft opgenomen om de 18 weken termijn op te rekken ten aanzien van aansluitingen tot 10 megavolt-ampere (mVa) (artikel 23 lid 4 sub a Elektriciteitswet), zoals zij dat wel heeft gedaan voor het aansluiten van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling (artikel 23 lid 4 sub b Elektriciteitswet) en dat daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever welbewust een harde deadline van 18 weken in de wet heeft opgenomen voor aansluitingen tot 10 mVa. Richtlijnconforme interpretatie houdt volgens Enexis in dat de rechtbank de door de wetgever vastgestelde termijn van 18 weken terzijde moet schuiven en moet aansluiten bij de invulling die door de ACM wordt gegeven aan de redelijke termijn; namelijk de langere termijn van 40 weken conform het ontwerpbesluit van de ACM.


De kernvraag is of de rechtbank door middel van richtlijnconforme interpretatie die 18 weken termijn terzijde mag schuiven om, zoals Enexis stelt, aan te sluiten bij de in het ontwerpbesluit van de ACM genoemde termijn.


Naar het oordeel van de rechtbank biedt de tekst van artikel 23 lid 4 sub a Elektriciteitswet de rechtbank geen ruimte om richtlijnconform te interpreteren. De rechtbank geeft daartoe de volgende redenen:

  • Het terzijde schuiven van de termijn door middel van richtlijnconforme interpretatie is in strijd met het contra-legem principe. Richtlijnconforme interpretatie druist tegen de tekst van de wet in, namelijk afwijking van de uitdrukkelijke harde maximumtermijn van 18 weken.
  • Door op de door Enexis voorgestane wijze richtlijnconform te interpreteren gaat de rechtbank op de stoel van de wetgever (in dit geval ACM) zitten en treedt daarmee buiten de grenzen van haar rechterlijke bevoegdheid. In de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 wordt geen andere langere termijn genoemd, die moet de ACM vaststellen. Welke termijn conform de richtlijn is, is dus niet uit de richtlijn af te leiden en daarom biedt de richtlijn geen aanknopingspunt voor richtlijnconforme interpretatie.
  • Richtlijnconforme interpretatie leidt tot nadelige gevolgen voor ZTN, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
  • Bovendien heeft richtlijnconforme interpretatie van de 18 weken termijn altijd het gevolg dat die termijn opzij wordt geschoven. Pas als de termijn opzij is gezet, zou kunnen worden toegekomen aan een uitleg van de redelijke termijn in het licht van de door Enexis aangevoerde omstandigheden. Opzij zetten is hetzelfde als het buiten toepassing laten van die termijn. Dat zou dus neerkomen op een verkapte rechtstreekse werking van de Elektriciteitsrichtlijn, hetgeen niet de bedoeling is.

Het beroep van Enexis op richtlijnconforme uitleg van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet slaagt niet.

Beroep op overmacht
De rechtbank concludeert dat, nu Enexis ZTN niet binnen 18 weken heeft aangesloten, zij door overschrijding van die wettelijke maximale termijn tekort geschoten is in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. De tekortkoming wordt door de rechtbank tevens toerekenbaar geacht. Het beroep op overmacht niet slaagt. Zoals we hierboven reeds schreven heeft de wetgever voor aansluitingen tot 10 mVa, waarvan hier sprake is, de redelijke termijn bepaald op 18 weken. Er wordt de netbeheerder geen ruimte geboden om zich te beroepen op dat het hem in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen die termijn heeft gerealiseerd. Een dergelijke tenzij- bepaling ontbreekt voor aansluitingen tot 10 mVa. Uit de wetsgeschiedenis blijkt, zo gaat de rechtbank verder, dat de wetgever deze keuze bewust heeft gemaakt, omdat men ervan uit ging dat bij een aansluiting tot 10 mVa het mogelijk moet zijn om binnen 18 weken een aansluiting te realiseren. Artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet is daarmee volgens de rechtbank dwingendrechtelijk van aard. Slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een vertraging niet aan Enexis kan worden toegerekend.


Enexis heeft ter onderbouwing van haar beroep op overmacht onder meer aangevoerd dat het aantal aansluitingen in een periode van vier jaar met 70% is gestegen, terwijl zij kampen met een groot tekort aan technisch geschoold personeel en aan materialen om de aansluitingen te verzorgen. De omstandigheid dat Enexis een groot aantal aanvragen dient uit te voeren met een tekort aan technisch personeel en materiaal, valt binnen de risicosfeer van Enexis. Het is, volgens de rechtbank, aan Enexis om zorg te dragen voor afdoende capaciteit om te allen tijde die termijn te halen, ook in tijden dat het aantal aanvragen toeneemt en ook in tijden van schaarste. Omdat het beroep op overmacht niet slaagt, is Enexis in beginsel aansprakelijk voor de door ZTN geleden schade.


Conclusie

De rechtbank Oost-Brabant stelt in dit tussenvonnis dat de 18 weken termijn uit artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet een harde maximum termijn is als het gaat om aansluitingen tot 10 mVA. De wetgever heeft welbewust een harde deadline opgenomen. Dit leidt er in deze zaak toe dat Enexis – ondanks een exoneratie in algemene voorwaarden – aansprakelijk is voor de schade die door ZTN is geleden. Een algemene conclusie is dat netbeheerders in beginsel aansprakelijk zijn voor schade, geleden door aanvragers, op het moment dat niet binnen een redelijke termijn na aanvraag een aansluiting op het elektriciteitsnetwerk wordt gerealiseerd.

Nu ZTN schade heeft gevorderd voor alle 25 weken, maar Enexis de eerste 18 weken van deze periode geen blaam treft, heeft de rechtbank ZTN opgedragen haar schade nader te onderbouwen.

 

Delen via
Schrijf u in en blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Uitschrijven kan altijd probleemloos.