CO2-uitstoot in Nederland onvoldoende beperkt: schending EVRM

Leestijd: 2 minuten | Publicatiedatum: 06-02-2019 | Type: Blog/artikel | Auteur: Dirk Sanderink

Op 9 oktober 2018 heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de Staat op grond van art. 2 (recht op leven) en art. 8 (recht op respect voor de woning en het privéleven) Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verplicht is om de jaarlijkse Nederlandse emissies van broeikasgassen aan het einde van het jaar 2020 met ten minste 25% te (doen) beperken ten opzichte van het jaar 1990.

Reële dreiging van gevaarlijke klimaatverandering

Naar het oordeel van het hof is sprake van een reële dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering, waardoor er een ernstig risico bestaat dat de huidige generatie ingezetenen zal worden geconfronteerd met verlies van leven en/of verstoring van het gezinsleven. Volgens het hof volgt uit de artikelen 2 en 8 EVRM een verplichting voor de Staat om tegen deze reële dreiging bescherming te bieden.

Verplichting tot reductie van CO2-uitstoot met 25%

Een verplichting om de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met ten minste 25% te reduceren, zoals de rechtbank had bevolen, is naar het oordeel van het hof in lijn met de zorgplicht van de Staat. Het hof oordeelt dat de Staat onrechtmatig handelt (want in strijd met de zorgplicht van de artikelen 2 en 8 EVRM), doordat hij nalaat die uitstoot per eind 2020 met ten minste 25% te reduceren.

Recent is het commentaar van Dirk Sanderink bij deze baanbrekende uitspraak van het hof Den Haag verschenen in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB 2019/10).

Deze informatie delen: