Schadevergoedingsbeding verhuurder bij faillissement huurder en regresrecht bank

Leestijd: 3 minuten | Publicatiedatum: 20-04-2017 | Type: Blog/artikel | Auteur: Arjon Tieman

In deze zaak heeft ABN AMRO Bank N.V. op verzoek van een huurder een bankgarantie afgegeven ten gunste van de verhuurder. Met deze bankgarantie heeft de bank zich verplicht om alle schade aan de zijde van de verhuurder te vergoeden die de verhuurder lijdt als de huurovereenkomst in het geval van faillissement van de huurder wordt beëindigd. De huurder is inderdaad failliet gegaan en de curator heeft de huurovereenkomst opgezegd op grond van artikel 39 van de Faillissementswet.

De verhuurder heeft de bankgarantie ingeroepen en de bank heeft de leegstandschade van de verhuurder vergoed. De bank heeft op haar beurt geprobeerd om de daarmee door haar verkregen regresvordering te verhalen op de boedel van de failliete huurder door deze te verrekenen met een door de huurder verstrekte contragarantie. De curator stelt zich (onder meer) op het standpunt dat de verhuurder niet gerechtigd was om de gestelde bankgarantie te trekken voor een hoger bedrag dan krachtens artikel 39 Fw in aanmerking mag worden genomen. In dat artikel heeft de wetgever namelijk aan een curator en een verhuurder het recht gegeven om bij het faillissement van de huurder de huurovereenkomst tussentijds te beëindigen, zonder dat daarbij aan de verhuurder een recht toekomt op schadevergoeding wegens gemis van gederfde huurinkomsten. De curator in kwestie vordert een geldsom op grond van ongerechtvaardigde verrijking van € 824.782,50, te vermeerderen met wettelijke rente.

Het Hof Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van de curator afgewezen. Het hof Amsterdam gaat daar niet in mee. Bij tussenarrest van 2 juni 2015 oordeelt het Hof dat artikel 39 Fw berust op een afweging van enerzijds het belang van de boedel tot voorkoming van het oplopen van boedelschulden ter zake van niet langer gewenste huurverhoudingen en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs. De wetgever heeft daarbij niet bedoeld dat aan de verhuurder ook nog een recht op schadevergoeding wordt gegeven. Het resultaat van de bedoelde belangenafweging kan volgens het Hof niet worden doorbroken door het bedingen van een recht op schadevergoeding ter zake van de huur die verschuldigd zou zijn geworden indien de huurovereenkomst niet tussentijds op de voet van artikel 39 Fw zou zijn beëindigd. Het Hof verwijst daarmee naar het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO3534). Het Hof overweegt dat dit ook geldt voor het bedingen van een recht op schadevergoeding over de band van een bankgarantie waarmee een derde (de Bank) zich verbindt tot betaling van die schadevergoeding als een eigen schuld en de betaling door die derde (ingevolge een contragarantie) vervolgens geschiedt ten laste van de faillissementsboedel. Nu de verhuurder een betaling verkreeg die strijdig is met het doel en de strekking van artikel 39 Fw, is zij volgens het hof ongerechtvaardigd verrijkt en dient zij over te gaan tot vergoeding van een bedrag gelijk aan deze verrijking ten nadele van de boedel.

De Hoge Raad

De Hoge Raad is het daar niet mee eens. De Hoge Raad overweegt dat de belangenafweging waarop artikel 39 Fw berust, slechts betrekking heeft op de verhouding tussen de verhuurder en de boedel. Daarmee heeft een beding waarbij de huurder zich heeft verplicht om de huurderving van de verhuurder bij een faillissement te vergoeden alléén geen effect op de failliete boedel. Het faillissement en de opzegging van de huurovereenkomst op grond van artikel 39 Fw brengen geen verandering in de verplichtingen die met andere partijen zijn overeengekomen. Indien een derde de betaling van de hiervoor genoemde schade heeft gegarandeerd (in dit geval de bank), blijft deze verplichting dan ook bestaan. Voor eventuele regresvorderingen voor derden die daaruit voortvloeien, geldt dat deze niet kunnen worden uitgeoefend tegenover de failliete boedel. Het maakt niet uit op welke wijze verhaal op de boedel wordt gezocht. De aard van de vordering staat dan in de weg aan het verhaal op de boedel.

Conclusie

Dit betekent in dit geval concreet dat volgens de Hoge Raad de verhuurder inderdaad aanspraak kan maken op een vergoeding van leegstandschade en de bankgarantie kan inroepen. De bank kan op haar beurt haar regresvordering niet verrekenen met de contragarantie, omdat deze actie de boedel raakt. Kortom, de bank blijft met haar vordering zitten. Wij verwachten dat deze uitspraak tot gevolg heeft dat banken minder snel genegen zijn een bankgarantie te verstrekken, die door de verhuurder kan worden ingeroepen bij leegstandschade in geval van faillissement.

Deze informatie delen: