Schadevergoeding na overspel?

Leestijd: 6 minuten | Publicatiedatum: 12-03-2019 | Type: Blog/artikel | Auteur: Joost Haafkes

Ieder jaar worden er rond de 33.000 echtscheiding in Nederland ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De reden van een echtscheiding is verschillend voor mensen. Er is niet veel inlevingsvermogen voor nodig om aan te nemen dat bij een aanzienlijk aantal echtscheidingen overspel de oorzaak is. 

In artikel 1:81 BW is bepaald dat echtgenoten elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn. Ook zijn zij verplicht elkander het nodige te verschaffen. Wanneer een van de echtgenoten ontrouw blijkt te zijn, is zoiets dan onrechtmatig?

In 2009 heeft een Arnhemse rechter hierover uitspraak gedaan. De uitspraak is in hoger beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd. De kern van de zaak draaide om een man die vond dat zijn ex-echtgenote onrechtmatig had gehandeld toen na een DNA-test duidelijk werd dat hij niet de biologische vader was van een tijdens het huwelijk geboren kind.

De rechtbank overweegt omtrent artikel 1:81 BW dat het artikel weliswaar huwelijkstrouw tussen echtgenoten verplicht, maar dat deze verplichting van ideële aard is die dus niet in rechte is af te dwingen. Ook de omweg van een onrechtmatige daad wordt niet gevolgd door de rechter omdat huwelijkstrouw anders via een omweg alsnog rechtens afdwingbaar is. Een overspelige echtgenoot handelt dus niet in strijd met een wettelijke plicht in de zin van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

Daarnaast verwoordt de rechtbank naar mijn mening mooi hoe de verhouding tussen de verplichting van ideële aard in de praktijk moet worden gezien: “Hoewel kan worden aangenomen dat de norm van huwelijkstrouw binnen de maatschappij breed gedragen wordt, brengt dat niet mee dat een schending van die norm een handelen is in strijd met hetgeen jegens de echtgenoot volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 BW. De beslissing met wie een mens al dan niet seksuele gemeenschap heeft is – mits binnen de grenzen van het (straf)recht wat betreft onder meer leeftijd en consensualiteit – uiteindelijk een hoogstpersoonlijke keuze, waaraan een ander geen rechtens afdwingbare aanspraken kan ontlenen, ook niet de echtgenoot. Dat wil zeggen dat het feit dat de vrouw in 1986 gemeenschap heeft gehad met een ander dan de man – kort gezegd: het overspel – op zichzelf bezien niet tot het oordeel kan leiden dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man. Ook kan het overspel niet bijdragen tot het oordeel dat in samenhang met de overige omstandigheden sprake is van een onrechtmatige daad.” 

Ook in de gezaghebbende literatuur wordt ontrouw niet als onrechtmatig handelen gezien. De Boer schrijft hierover dat in de rechtspraak geen neiging is te bespeuren om overspelige echtgenoten te dwingen hun leven te beteren ten aanzien van “aan de persoon gebonden en de persoonlijke affectie veronderstellende (morele of ideële) verplichtingen.¹ Ook professor Nuytinck deelt deze visie.²

Conclusie

Ondanks het feit dat getrouwheid van echtgenoten in de maatschappij breed gedragen wordt als ongeschreven regel, koppelt de wet en de rechtspraak geen gevolg aan huwelijkse ontrouw. Het gerechtshof concludeert naar mijn mening heel terecht dat het Nederlandse recht niet alle intieme en seksuele aspecten van een relatie heeft gereguleerd. Het hof vindt dat deze onderwerpen overgelaten moeten worden aan de persoonlijke verantwoordelijkheid en de persoonlijke keuze van de echtgenoten. Wat voor de één normaal is, kan voor de ander immers onaanvaardbaar zijn. Van maatschappelijk aanvaarde, aanvaardbare of sterk levende overtuigingen in rechtspraak of literatuur hierover is het hof niet gebleken en ook de wetgever heeft zich hierover (nog) niet uitgelaten. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende, vindt het hof het niet zijn taak om de juridische bakens te verzetten. Dit moet de wetgever doen (ECLI:NL:GHARN:2011:BP6211).

 

 ¹ J. de Boer in zijn bewerking van Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. Personen- en familierecht, Asser/De Boer 1*, Deventer: Kluwer 2010, nr. 186.

 ² Prof.mr. A.J.M. Nuytinck, “Samenlevingsovereenkomst vernietigbaar op grond van dwaling?”, AA20140363.

Deze informatie delen: