Het ouderschapsplan: keiharde overeenkomst of praatstuk?

Leestijd: 4 minuten | Publicatiedatum: 28-03-2019 | Type: Blog/artikel | Auteur: Joost Haafkes

In mijn eerste blog heb ik nog eens uitgelegd hoe een echtscheidingsconvenant gekwalificeerd moet worden en wat de (bewijs)kracht is. Het leek mij goed om ook een artikel te wijden aan “het ouderschapsplan” aangezien alle opvoeders van kinderen die hun relatie/samenwerking beëindigen formeel gezien te maken krijgen met een ouderschapsplan. Voor de volledige lijst van personen die een ouderschapsplan zouden moeten opstellen verwijs ik naar een artikel van prof. Nuytinck.1

Het ouderschapsplan is op 1 maart 2009 in de wet geïntroduceerd.2 De verplichting voor ouders om een ouderschapsplan op te stellen vloeit voort uit artikel 1:247 lid 4 BW, waarin het recht van een kind op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders is neergelegd.

Voor ouders die gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan is het verplicht een rechtsgeldig ouderschapsplan bij de rechter in te dienen.3 Kort gezegd moet het ouderschapsplan qua inhoud aan de volgende eisen voldoen:

  • Een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders;

  • De manier waarop ouders elkaar van informatie voorzien en met elkaar overleggen over belangrijke zaken die het kind aangaan;

  • Een regeling over de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

  • Een vermelding over de manier waarop de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het plan.

 De juridische status

In een rechtsgeldig ouderschapsplan worden primair afspraken vastgelegd door ouders over de manier waarop zij de verzorging en opvoeding van hun kinderen voortzetten na een relatiebreuk. Dit gebeurt op grond van wilsovereenstemming en deze afspraken zijn geen vermogensrechtelijke afspraken. Het ouderschapsplan is in feite niet meer dan een familierechtelijke overeenkomst. Slechts indirect zal het gaan om vermogensrechtelijke aspecten, zoals het betalen van kinderalimentatie door één van de ouders.4 

Bij het in samenhang lezen van de artikelen 6:216 en 6:213 BW kan geconcludeerd worden dat de term ‘verbintenis’ een vermogensrechtelijker karakter heeft en daarom niet ziet op een familierechtelijke overeenkomst zoals een ouderschapsplan. Deze visie hangen Vonk en Breedveld-de Voogd aan.Zij zijn van mening dat ook niet gesproken kan worden van nakoming of tekortkoming bij een familierechtelijke overeenkomst. Het rechtsgeldige ouderschapsplan wordt naar hun mening opgesteld om vorm te geven aan de wijze waarop ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind. In zoverre zou slechts sprake zijn van een plicht van de ouders tegenover het kind. Anders zou het ouderschapsplan namelijk de wijze waarop het gezag van de ouders wordt uitgeoefend omzetten in een rechtens afdwingbare verplichting van de ene ouder ten opzichte van de andere ouder.

Het ouderschapsplan brengt ook geen verplichting voor het kind mee. De artikelen 1:247 en 1:377a BW scheppen namelijk alleen recht voor kinderen op gelijkwaardige verzorging en opvoeding voor beide ouders en ook een recht op omgang, geen verplichting. Omgekeerd kan een kind ook geen nakoming vorderen van zijn ouders. Het kind is wel onderwerp van de overeenkomst of zelfs belanghebbende, maar geen partij en er dus geen rechten aan kan ontlenen.

Conclusie

Het rechtsgeldige ouderschapsplan is een familierechtelijke overeenkomst waaruit geen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen voortvloeien zoals uit de verbintenis scheppende overeenkomst in de zin van art. 6:213 BW (alimentatie uitgezonderd!). Ouders zijn indirect wel gebonden aan de afspraken in het ouderschapsplan omdat een rechter met de afspraken en intenties rekening houdt bij het vaststellen of wijziging van de zorgtaken van ouders.

Voor vragen over het opstellen van of uitleg over een ouderschapsplan en de rechtsgeldigheid ervan, kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen met één van onze familierecht specialisten.

___________________________________________________________________________

1prof. mr. A.J.M. Nuytinck ‘De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan’, WPNR 2008/6756.  
2Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
3Artikel 815 Rv
4ECLI:NL:GHDHA:2016:3756 r.o. 5
5M.J. Vonk & C.G. Breedveld-de Voogd ‘Ouderschapsplan: meerpartijenovereenkomst of meerpartijenplan?’, BW-krant Jaarboek 2015/29. 

Deze informatie delen: