Niet-ontvankelijkheid wegens vervallen van procesbelang in strijd met art. 6 EVRM

Leestijd: 3 minuten | Publicatiedatum: 08-01-2019 | Type: Annotatie | Auteur: Dirk Sanderink

Op 17 juli 2018 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een belangrijke uitspraak gedaan over het vervallen van het procesbelang tijdens een gerechtelijke procedure. Het gaat om het arrest-Ronald Vermeulen / België.

In de kern gaat deze zaak over de situatie waarin een appellant op het moment waarop hij beroep tegen een besluit van de overheid instelt bij de bestuursrechter een procesbelang heeft, maar zijn procesbelang gedurende het beroep bij de bestuursrechter verliest doordat dat besluit dan wel een besluit waarmee het nauw verbonden is een beperkte geldigheidsduur heeft en zijn geldigheid tijdens het beroep verliest.

Verval van procesbelang

In deze zaak ging het om het verlies van procesbelang in de loop van een procedure bij de Belgische Raad van State. Vermeulen had op het moment van het instellen van het beroep tegen het betreffende besluit een actueel procesbelang (‘intérêt actuel’) in de zin van art. 19 lid 1 (Belgische) Wet op de Raad van State. Het was vanwege de duur van de procedure bij de Belgische Raad van State dat hij dat procesbelang verloren had. Vanwege dit verlies van procesbelang verklaarde de Belgische Raad van State het beroep niet-ontvankelijk. 

Schending van art. 6 EVRM

Het EHRM concludeerde dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep in casu het recht op toegang tot de rechter in de kern had aangetast en niet evenredig was ten opzichte van het beginsel van een goede rechtsbedeling. Naar het oordeel van het EHRM was er derhalve sprake van een schending van art. 6 EVRM.

Afgelopen maand is het commentaar van Dirk Sanderink bij de uitspraak van het EHRM verschenen in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB 2018/186). Hij gaat daarin ook in op de vraag wat deze uitspraak betekent voor het Nederlandse bestuursprocesrechtelijke leerstuk van procesbelang.

Deze informatie delen: