Personeel moet weten dat het niet altijd lang leve de lol is.
Door mr. Gerda Aufderhaar
Hemdjes met spaghettibandjes, teenslippers, korte broeken. Gaat deze column over de nieuwe zomermode van 2008? Welnee, ik wil met u even stilstaan bij een onderwerp dat de gemoederen behoorlijk kan doen verhitten: voorschriften over kleding en uiterlijk op de werkvloer.
Een werkgever kan eenzijdig dergelijke voorschriften uitvaardigen, omdat het (slechts)ordevoorschriften zijn en deze geen betrekking hebben op de arbeidsvoorwaarden. De werkgever heeft hiervoor dan ook niet de instemming van de Ondernemingsraad nodig. Bepaalde veiligheids- of hygiënevoorschriften kunnen een uitzondering hierop vormen.
De werkgever mag binnen bepaalde grenzen ook best ver gaan in het voorschrijven of verbieden van bepaalde kleding en/of uiterlijke verschijning.
Zo mocht McDonalds van de rechter een assistent-manager uit hygiënische overwegingen (open keuken, dus klanten kunnen de bereiding van Happy Meals zelf aanschouwen) verplichten zijn baard af te scheren. Dit, ondanks het feit dat de man die baard had laten staan sinds de geboorte van zijn dochtertje, die vervolgens op jonge leeftijd was overleden, waardoor de baard sindsdien voor hem nog een diepere persoonlijke betekenis had gekregen. Had de werknemer daarentegen zijn weigering om de baard af te scheren religieus gemotiveerd (stel dat hij sikh was), dan had hij meer kans van slagen gehad, bij de kantonrechter of bij de Commissie Gelijke Behandeling. Deze laatste oordeelt ook regelmatig over geschillen tussen werkgever en werknemer met betrekking tot dit onderwerp.
Krijgt de Commissie Gelijke Behandeling doorgaans te maken met zaken waarbij de kleding of het uiterlijk een duidelijk verband houdt met zaken zoals godsdienst, levensovertuiging, ras, geslacht, of hetero- of homoseksuele gerichtheid, de kantonrechter daarentegen oordeelt daarnaast ook veelal over zaken waarin een belangenafweging speelt. Geschillen over het al dan niet mogen dragen van hemdjes met spaghettibandjes, teenslippers of korte broeken behoren tot die laatste categorie. Het (bedrijfs)belang van de werkgever tot het invoeren van de voorschriften wordt daarbij afgewogen tegen het belang van de werknemer om niet aan een dergelijk voorschrift gebonden te zijn. De subjectieve beleving van de werknemer van inbreuk op de persoonlijke vrijheid is dan vaak ondergeschikt aan het belang van de ondernemer, die wil kunnen beslissen wat voor karakter en aanzien zijn bedrijf dient te hebben. Met andere woorden, mijn secretaresse die vindt dat zij, vanwege de extreme temperaturen die dag, beslist uitsluitend een zomers hemdje kan dragen, trekt aan het kortste eind, indien ik niet wil dat de klant die zij koffie brengt, daar aanstoot aan kan nemen.
Het maakt ook nog uit of het voorschrift effect heeft op het privéleven van de werknemer buiten de werkuren. Een piercing of paardenstaart kan men uitdoen, een baard kan men niet na werktijd weer “aandoen”. Het doel van de voorschriften, en ook gebruiken binnen de sector spelen bovendien ook een rol, zoals uit de McDonalds-zaak valt af te leiden.
Wat werknemers zich vooral moeten realiseren is dat het niet altijd “lang leve de lol” is. Een extra paar schoenen mee en een nette blouse voor als je de klant koffie moet brengen, is een kleine moeite als het om behoud van je werk gaat.